=====Bewijs schorsing===== - [[Bewijs schorsing#Aantekeningen|Aantekeningen]] - [[Bewijs schorsing#Regelgeving|Regelgeving]] - [[Bewijs schorsing#Jurisprudentie|Jurisprudentie]] - [[Bewijs schorsing#Literatuur|Literatuur]] ---- ====1. Aantekeningen==== ---- ====2. Regelgeving==== ---- ====3. Jurisprudentie==== ===3.1 ECMS=== Bewijskracht van meldingen in EMCS bij de overbrenging van accijnsgoederen (I) Artt. 24 en 28 Richtlijn 2008/118/EG Accijnsgoederen die onder schorsing van accijns zijn overgebracht naar een belastingentrepot moeten worden aan- en afgemeld in het geautomatiseerde systeem "EMCS". Goederen die valselijk worden afgemeld, worden geacht te zijn uitgeslagen uit de accijnsgoederenplaats van waaruit de accijnsgoederen zijn verzonden. X BV exploiteert een groothandel in dranken. Zij heeft in november 2012 acht zendingen wodka en rum onder schorsing van accijns uitgeslagen uit haar accijnsgoederenplaats. Voor elke zending is een e-AD (elektronisch accijnsgeleidedocument) opgemaakt met Zweden als land van bestemming. Voorafgaand aan de verzending controleerde X BV in het "System Exchange Excise Data" (SEED) het vergunningnummer van de ontvanger. De gegevens van de geadresseerde waren in dat systeem opgenomen. In februari 2013 heeft de Zweedse douane de Nederlandse inspecteur meegedeeld dat de geadresseerde de zendingen niet heeft ontvangen. De ontvangstbevestigingen zouden valselijk zijn opgemaakt. Het door de geadresseerde opgegeven adres was een gehuurde ruimte van 2 m2, waarvan de huur al in januari 2012 was opgezegd. De inspecteur heeft een naheffingsaanslag accijns opgelegd aan X BV. X BV maakte bezwaar en stelde vervolgens beroep in. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna X BV hoger beroep instelde. X BV stelde dat alle zendingen door de afnemers voor ontvangst waren afgemeld in EMCS. Hierdoor kon zij niet worden aangesproken voor de accijnsheffing, ook al zouden de afmeldingen vals zijn. Het gerechtshof wees echter op vaste jurisprudentie onder de oude accijnsrichtlijn (Richtlijn 92/12/EEG), dat een vals of vervalst bewijs van ontvangst van accijnsgoederen niet kan worden aangemerkt als een ontvangstbewijs in de zin van die richtlijn. Volgens het gerechtshof is deze jurisprudentie ook nog van toepassing onder de nieuwe accijnsrichtlijn (Richtlijn 2008/118/EG). Het gerechtshof verklaarde het hoger beroep ongegrond (nrs. 16/03512 en 16/03513, Douane Update 2020-0153). X BV heeft beroep in cassatie ingediend en heeft zes middelen voorgesteld. Middel 1 behelst de klacht dat het gerechtshof de vaste jurisprudentie onder de oude richtlijn van toepassing acht onder de nieuwe richtlijn. Middel 2 richt zich tegen het oordeel van het gerechtshof waarin het hof de stelling van X BV verwerpt, dat de onderhavige zendingen van accijnsgoederen waren geëindigd nadat X BV de berichten van ontvangst heeft ontvangen en belanghebbende daarna niet meer voor de accijnsheffing kan worden aangesproken. X BV stelt dat in het onderhavige geval sprake is van een digitale afhandeling en de 'stempel' of 'aantekening' van een andere douaneautoriteit gegeven is met de ontvangstmelding aan de verzender. A-G Ettema overweegt dat de regels die gelden bij het overbrengen onder een accijnsschorsingsregeling en voor de productie en het voorhanden hebben van accijnsgoederen in een belastingentrepot, niet inhoudelijk zijn gewijzigd met de inwerkingtreding van de nieuwe accijnsrichtlijn (2008/118/EG). Wel is het op papier gebaseerde systeem voor de uitoefening van toezicht vervangen door een geautomatiseerd systeem met elektronische berichten. De richtlijn schrijft slechts voor dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van bestemming een elektronische controle verrichten van de gegevens in het bericht van ontvangst. Het staat de bevoegde autoriteiten vrij op een later tijdstip na te gaan of de geadresseerde de goederen daadwerkelijk in ontvangst heeft genomen. De overbrenging eindigt op het tijdstip van ontvangst van de goederen. Daarvan is pas sprake als de geadresseerde de goederen daadwerkelijk in ontvangst heeft genomen. Het elektronische bericht van ontvangst is een bewijsmiddel dat de goederen zijn ontvangen. Als de autoriteiten menen dat de goederen niet door de geadresseerde zijn ontvangen, moeten de autoriteiten dat aantonen en de bewijslast rust dan op hen. Als vast komt te staan dat het bericht van ontvangst vals is kan belanghebbende zich niet op dat valse bericht beroepen. Op belanghebbende rust een risicoaansprakelijkheid. De middelen 1 en 2 falen, aldus de A-G. Middel 3 bevat een motiveringsklacht en richt zich tegen het oordeel van het hof dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de geadresseerde de accijnsgoederen niet heeft ontvangen. Dit oordeel is gebaseerd op de informatie die de inspecteur van de Zweedse autoriteiten heeft ontvangen en is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. De A-G concludeert dat dit middel faalt. Middel 4 richt zich tegen het oordeel van het hof dat de onregelmatigheden geacht moeten worden in Nederland te hebben plaatsgevonden. De Zweedse autoriteiten hadden aangegeven dat de ontvanger op het moment van de overbrenging niet over een belastingentrepot beschikte. Daaraan heeft het gerechtshof de conclusie verbonden dat niet is voldaan aan de voorwaarde dat het vervoer onder schorsing van accijns plaatsvindt naar een ander belastingentrepot en dus sprake is van uitslag tot verbruik. A-G Ettema is het daarmee eens en dus is het middel tevergeefs voorgesteld. Middel 5 ziet op de schending van het rechtszekerheids-, vertrouwens- en motiveringsbeginsel. Wat het vertrouwensbeginsel betreft voert het middel aan dat op de website van de douane is vermeld dat bij de ontvangst van een bericht van ontvangst, de verzending onder schorsing van accijns geëindigd is. X BV voerde aan dat zij er daarom op mocht vertrouwen dat zij niet meer voor de accijnsheffing aangesproken zou worden. Het gerechtshof oordeelde dat X BV niet aannemelijk heeft gemaakt dat de douane informatie heeft verstrekt waaruit volgt dat een ontvangstbericht als bewijs kan dienen, ook als dit bericht vals is of blijkt te zijn. Verder gaat het bij informatie op de website van de douane om algemene voorlichting en bij fouten of onjuistheden is de douane daarin niet gebonden. Dat is alleen anders als de belastingplichtige de onjuistheden niet had behoeven te beseffen. Het middel faalt. Middel 6 ziet op de bewijslastverdeling. X BV stelt dat het gerechtshof de bewijslast onjuist heeft verdeeld dan wel onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat belanghebbende niet aan haar bewijsplicht heeft voldaan. De entrepothouder van verzending krijgt een termijn van vier maanden vanaf het moment van verzending, om het bewijs te leveren dat de overbrenging regelmatig is geëindigd, of dat de onregelmatigheid in een andere lidstaat heeft plaatsgevonden. Als die termijn al verstreken is op het moment dat de entrepothouder ervan op de hoogte is gesteld dat de goederen niet zijn aangekomen, krijgt hij een termijn van een maand vanaf het tijdstip van de verstrekking van die informatie. X BV is in de gelegenheid gesteld dat bewijs te leveren, maar naar het oordeel van het gerechtshof heeft X BV geen bewijs geleverd. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Ook het zesde middel faalt. A-G Ettema geeft de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie van X BV ongegrond te verklaren. Parket bij de Hoge Raad 30 april 2021, nr. 20/00639, (ECLI:NL:PHR:2021:443), Fida 20212618 ---- ====4. Literatuur==== ----