=====Combinaties van prestaties===== - [[combinaties_van_prestaties#Aantekeningen|Aantekeningen]] - [[combinaties_van_prestaties#Regelgeving|Regelgeving]] - [[combinaties_van_prestaties#Literatuur|Literatuur]] - [[combinaties_van_prestaties#Jurisprudentie|Jurisprudentie]] ---- * [[belastbare_handeling:combinaties_van_prestaties:voorbeelden|Voorbeelden combinaties van prestatie]] ---- ====Aantekeningen==== * Part Service \\ 2 partijen kun je wel één prestatie hebben, bij misbruik * Mapfre & Bookit \\ 2 partijen kun je wel één prestatie hebben * KPC Herning \\ 2 partijen kun je niet één prestatie hebben * Mydibel \\ 2 partijen die over en weer presteren verrichten één prestatie (sale & lease back) * [[https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2024:863|HR 14 juni 2024, nr. 24\00084]] \\ Niet mogelijk om 1 prestatie te zien bij 2 presteerders aan 2 afnemers Je zou kunnen zeggen dat er 3 'varianten' zijn - Normale CPP: 1 partij, één samengestelde prestatie - 2 partijen, één samengestelde, parallelle prestatie - 2 partijen, één samengestelde, tegengestelde prestatie ---- Uitzoeken: \\ Sebrenany en RAIFFEISEN LEASING ---- Uitzoeken: \\ Frank Kunduz - financiering factor / garantstelling \\ samengestelde prestatie aan 2 afnemers \\ finanicering = hoofd \\ garantie wordt geabsorbeerd ---- ===1.1 Afzonderlijk af te nemen niet van belang=== * **Escape Center, C-330/21** \\ 27. In dit verband komt geen belang toe aan het feit dat de elementen die een dergelijke handeling vormen, in andere omstandigheden afzonderlijk kunnen worden geleverd en op grond van artikel 1, lid 2, tweede alinea, van de btw-richtlijn als onderscheiden en onafhankelijk worden beschouwd (zie in die zin beschikking van 19 januari 2012, Purple Parking en Airparks Services, C-117/11, niet gepubliceerd, EU:C:2012:29, punt 31). ---- ===1.2 Hoofdregel en 2 uitzonderingen=== * [[https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/HTML/?uri=CELEX:62019CJ0231|Blackrock]] \\ HvJ 2 juli 2020, Zaak C-231/19, Blackrock Investment Management (UK) Ltd tegen Commissioners for Her Majesty's Revenue and Customs, ECLI:EU:C:2020:513, V-N 2020/44.9, r.o. 28 \\ **28** In de eerste plaats dient onder de aandacht te worden gebracht dat het begrip „één enkele prestatie” in de rechtspraak van het Hof twee typen situaties kan betreffen, zoals de advocaat-generaal in punt 42 van zijn conclusie heeft opgemerkt ---- ===1.3 Een presteerder, 2 afnemers, géén eenheid van prestatie=== * [[https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2025:1326|HR 3 oktober 2025, nr. 22/00859, ECLI:NL:HR:2025:1326]] \\ **4.2.4** BTW-richtlijn 2006 voorziet niet erin dat een op grond van een rechtsbetrekking tussen een ondernemer en diens afnemer te verrichten dienst enerzijds en een op grond van een andere rechtsbetrekking tussen diezelfde ondernemer en een andere afnemer te verrichten dienst anderzijds, tezamen als één dienst worden aangemerkt. Het is ook niet verenigbaar met de in BTW-richtlijn 2006 neergelegde systematiek om in zo’n geval één dienst aan te nemen. Op grond van artikel 2 van BTW-richtlijn 2006 moet, zoals hiervoor in 4.2.2 is vooropgesteld, elke prestatie in de regel als onderscheiden en zelfstandig worden beschouwd, en op grond van artikel 9 van die richtlijn moet als belastingplichtige worden beschouwd eenieder die, op ongeacht welke plaats, zelfstandig een economische activiteit verricht, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteit. De functionaliteit en de uitvoerbaarheid van de btw zouden in gevaar komen wanneer prestaties die de belastingplichtige jegens verschillende afnemers verricht tezamen als één ondeelbare economische prestatie zouden worden aangemerkt.//6// //6. Vgl. voor dit een en ander HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:863, rechtsoverweging 5.4.// ---- ===1.4 Twee presteerders, 1 afnemer, géén eenheid van prestatie=== * [[https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/HTML/?uri=CELEX:62024CC0234|Brose Prievidza, conclusie Kokott]] \\ **48**. Wanneer twee prestaties inhoudelijk een zekere mate van overeenstemming vertonen, maar door twee verschillende belastingplichtigen worden verricht, kan dit slechts in zeer uitzonderlijke gevallen als één enkele handeling worden behandeld, namelijk wanneer de opsplitsing van een handeling in twee zelfstandige delen kunstmatig was.(22)\\ **49**. Derhalve kan in principe geen sprake zijn van een onzelfstandige nevenprestatie of één enkele samengestelde prestatie wanneer deze prestatie door verschillende personen wordt geleverd. Dit kan echter anders komen te liggen wanneer een handeling door de eigenlijke dienstverrichter kunstmatig wordt opgesplitst tussen twee belastingplichtigen waarover hij zeggenschap heeft. Zoals ik hiervoor in punten 26 e.v. heb uiteengezet, is daarvan in casu geen sprake. Dienovereenkomstig spreekt het Hof altijd van de belastingplichtige (dat wil zeggen één belastingplichtige) die meerdere prestaties levert(23), die hetzij afzonderlijk hetzij als één enkele prestatie moeten worden behandeld. ---- ===1.5 Twee presteerders, 2 afnemers: géén eenheid van prestatie=== * [[https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2024:863|HR 14 juni 2024, nr. 24/00084, ecli:NL:HR:2024:863]] \\ **5.4** De hiervoor in 5.3 bedoelde rechtsvraag is, zoals de Rechtbank terecht heeft overwogen, niet door het Hof van Justitie beantwoord. Naar het oordeel van de Hoge Raad is raadpleging van het Hof van Justitie over deze kwestie ook niet nodig omdat het niet voor redelijke twijfel vatbaar is dat BTWrichtlijn 2006 niet erin voorziet dat een op grond van een rechtsbetrekking tussen een ondernemer en diens afnemer te verrichten dienst enerzijds en een op grond van een andere rechtsbetrekking tussen een andere ondernemer en een andere afnemer te verrichten dienst anderzijds, tezamen als één dienst worden aangemerkt, en het ook niet verenigbaar is met de in BTW-richtlijn 2006 neergelegde systematiek om in zon geval één dienst aan te nemen. Anders dan belanghebbende betoogt, is de omstandigheid dat een van de afnemers tevens een van de dienstverrichters is, niet van belang. \\ Op grond van artikel 2 van BTW-richtlijn 2006 moet elke prestatie in de regel als onderscheiden en zelfstandig worden beschouwd en op grond van artikel 9 van die richtlijn moet als belastingplichtige worden beschouwd eenieder die, op ongeacht welke plaats, zelfstandig een economische activiteit verricht, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteit.6 De functionaliteit en de uitvoerbaarheid van de btw zouden in gevaar komen wanneer prestaties die verschillende belastingplichtigen elk voor zich aan verschillende afnemers verrichten tezamen als één ondeelbare economische prestatie zouden worden aangemerkt. Anders dan belanghebbende betoogt, doet hieraan niet af dat Unierechtelijke en/of nationale bepalingen, zoals de hiervoor in 3.2 vermelde regelgeving, ertoe verplichten dat bepaalde prestaties door verschillende natuurlijke personen dan wel rechtspersonen worden verricht. ---- * Brose Prievidza, spol. s r. o., C‑234/24 \\ **57** Ten eerste volstaat het feit dat verschillende leveringen van identieke goederen, in casu de onderdelen, tussen dezelfde ondernemingen hebben plaatsgevonden, echter niet om te kunnen oordelen dat deze leveringen op zichzelf en los van de levering van de litigieuze apparatuur als één enkele handeling moeten worden beschouwd. Het feit dat deze leveringen identieke goederen betreffen, betekent immers niet automatisch dat zij objectief gezien één enkele ondeelbare economische prestatie vormen, waarvan het kunstmatig zou zijn om die uit elkaar te halen. \\ **58** Dit geldt des te meer wanneer twee onafhankelijke dienstverrichters twee verschillende goederen leveren, in casu de litigieuze apparatuur en de onderdelen. Zoals de advocaat-generaal in de punten 46 en 47 van haar conclusie in wezen heeft opgemerkt, __lijkt het in de ogen van een gemiddelde consument immers volstrekt logisch om leveringen door twee onafhankelijke dienstverrichters afzonderlijk te behandelen__.\\ **59** Zoals in de punten 50 en 51 van het onderhavige arrest reeds is opgemerkt, betekent het feit dat er tussen de handelingen een bepaald verband bestaat – omdat de litigieuze apparatuur noodzakelijk is voor de vervaardiging van de onderdelen – bovendien niet dat zij als één enkele handeling, en dus evenmin als ondeelbare prestaties moeten worden beschouwd. \\ **60** __Bij wijze van uitzondering kunnen twee prestaties van twee onafhankelijke dienstverrichters wel als één enkele samengestelde prestatie worden beschouwd__. __Dit is het geval wanneer vaststaat dat deze prestaties kunstmatig zijn opgesplitst__. \\ **61** Het Hof heeft een dergelijke situatie in aanmerking genomen in het arrest van 21 februari 2008, Part Service (C‑425/06, EU:C:2008:108). Zoals de verwijzende rechter in zijn verwijzingsbeslissing preciseert, heeft hij zich gebaseerd op de punten 56 en 57 van dat arrest, waarin het Hof heeft gewezen op de kenmerken van de handelingen die aan de orde waren in de zaak die tot dat arrest heeft geleid, om te oordelen dat de leveringen van respectievelijk de onderdelen en de litigieuze apparatuur moesten worden geacht één enkele prestatie te vormen waarvoor dezelfde fiscale regeling moest gelden. \\ **62** Uit de aanwijzingen in de punten 56 en 57 van het arrest van 21 februari 2008, Part Service (C‑425/06, EU:C:2008:108), kan echter niet worden afgeleid dat leveringen als die in het hoofdgeding kunstmatig zijn afgesplitst, aangezien geen van de kenmerken van de door het Hof in dat verband beschreven handelingen vergelijkbaar is met die van deze leveringen. \\ **63** Anders dan in een juridische situatie als die in het hoofdgeding, waren de twee ondernemingen die diensten verrichtten voor dezelfde klant in de zaak die tot dat arrest heeft geleid, namelijk met elkaar verbonden omdat zij deel uitmaakten van dezelfde groep. Bovendien vinden leveringen als in het hoofdgeding hun oorsprong niet in een bewuste opsplitsing van de prestatie van een leverancier, maar in afzonderlijke overeenkomsten met twee onafhankelijke dienstverrichters. Deze leveringen volgen afzonderlijk beschouwd dan ook een eigen economische logica. Voorts heeft de verwijzende rechter in casu geoordeeld dat noch is gesteld, noch is bewezen dat de onderneming waaraan de verschillende leveringen waren gericht, namelijk Brose Prievidza, een ongerechtvaardigd belastingvoordeel probeerde te verkrijgen door een verschillende fiscale behandeling van de betrokken leveringen, terwijl het Hof er in de punten 58 tot en met 62 van het arrest van 21 februari 2008, Part Service (C‑425/06, EU:C:2008:108), in essentie op heeft gewezen dat dit element essentieel is om handelingen aan te merken als zijnde kunstmatig opgesplitst. \\ **64** Overigens kan het feit dat apparatuur niet bestemd is voor de vervaardiging van een enkel stuk of een enkele partij stukken, noch om in de onderdelen te worden ingebouwd, maar om te worden gebruikt voor de serieproductie van die stukken of onderdelen, een bijdrage vormen aan het bewijs dat de levering van die apparatuur niet zo nauw verbonden is met een specifieke levering van stukken dat zij moet worden geacht objectief gezien één enkele ondeelbare economische prestatie te vormen met die specifieke levering van onderdelen. ===1.6 Praktische aanpak Ierland=== * [[https://www.revenue.ie/en/vat/vat-on-services/two-thirds-rule/index.aspx|Ierland]] ---- ===1.7 Onderlinge samenhang prestaties vereist wederkerigheid voor ondeelbaarheid=== * [[https://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=&docid=303000&pageIndex=0&doclang=nl&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=10549517|Határ Diszkont Kft, C-427/23]] \\ **46.** In dit verband moet ten eerste worden opgemerkt dat er weliswaar een zekere onderlinge samenhang bestaat tussen de dienst van de administratieve afhandeling van de btw-teruggaaf en de overeenkomstige vrijgestelde goederenlevering, aangezien deze dienst alleen kan worden verricht indien die levering plaatsvindt, maar dat het Hof reeds heeft vastgesteld dat een dergelijk verband op zich niet volstaat om te bepalen of er voor de toepassing van de btw kan worden gesproken van één enkele samengestelde prestatie (zie in die zin arrest van 9 maart 2023, Generali Seguros, C-42/22, EU:C:2023:183, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak). \\ **47.** Om meerdere door de belastingplichtige geleverde elementen of handelingen als één enkele prestatie te kunnen beschouwen in de zin van de in punt 39 hierboven aangehaalde rechtspraak van het Hof, __moet het onlosmakelijke verband tussen deze elementen of handelingen namelijk noodzakelijkerwijs wederkerig zijn__, zodat het ene element of de ene handeling afhangt van het andere element of de andere handeling, en omgekeerd. In het onderhavige geval hangt de goederenlevering, die plaatsvindt voordat de administratieve afhandeling van de btw-teruggaaf is voltooid, echter geenszins af van deze dienst. ---- ====Regelgeving==== ---- ====Jurisprudentie==== * HR 13 maart 2026, nr. 23/04337, [[https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:280|ECLI:NL:HR:2026:280]] (Pauzedrankjes) * [[https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/HTML/?uri=CELEX:62024CJ0409|J-GmbH e.a. tegen Finanzamt K e.a. - Hotel en bijkomende prestaties]] \\ HvJ 5 maart 2026, Gevoegde zaken C-409/24–C-411/24, J-GmbH e.a. tegen Finanzamt K e.a., ECLI:EU:C:2026:149 \\ **61** Uit de rechtspraak van het Hof volgt immers dat wanneer een lidstaat met inachtneming van het beginsel van fiscale neutraliteit gebruik heeft gemaakt van zijn beoordelingsvrijheid en concrete en specifieke aspecten van een in bijlage III bij de btw-richtlijn genoemde categorie van diensten afzonderlijk in aanmerking heeft genomen, **__niet hoeft te worden onderzocht of de aldus afzonderlijk in aanmerking genomen prestaties en de nevenprestaties daarbij uit het oogpunt van de gemiddelde consument moeten worden beschouwd als één enkele handeling__**, aangezien die laatste omstandigheid niet van doorslaggevend belang is voor de uitoefening door de lidstaten van de hun bij deze richtlijn geboden beoordelingsvrijheid inzake de selectieve toepassing van het verlaagde btw-tarief op basis van algemene en objectieve criteria (zie in die zin arrest van 6 mei 2010, Commissie/Frankrijk, C‑94/09, EU:C:2010:253, punten 33 en 34). \\ **62** Aan deze uitlegging wordt niet afgedaan door de arresten van 18 januari 2018, Stadion Amsterdam (C‑463/16, EU:C:2018:22), en 4 mei 2023, Finanzamt X (Blijvend geïnstalleerde werktuigen en machines) (C‑516/21, EU:C:2023:372), waaraan de verwijzende rechter in zijn verwijzingsbeslissingen refereert. \\ **63** Het Hof heeft weliswaar in punt 36 van het arrest van 18 januari 2018, Stadion Amsterdam (C‑463/16, EU:C:2018:22), geoordeeld dat één enkele prestatie moet worden belast tegen het enkele btw-tarief dat voor die prestatie geldt en dat wordt bepaald aan de hand van het hoofdelement ervan, maar in de zaak die tot dat arrest heeft geleid, had de betrokken lidstaat geen gebruik gemaakt van de bij de btw-richtlijn verleende beoordelingsvrijheid om concrete en specifieke aspecten van de betrokken categorie van diensten afzonderlijk in aanmerking te nemen met het oog op de toepassing van het verlaagde btw-tarief. In die omstandigheden was het Hof van oordeel dat moest worden onderzocht of de in die zaak aan de orde zijnde prestaties uit het oogpunt van de gemiddelde consument één enkele prestatie vormden wanneer geen gebruik was gemaakt van deze beoordelingsvrijheid. \\ **64** Bovendien heeft het Hof in punt 34 van het arrest van 18 januari 2018, Stadion Amsterdam (C‑463/16, EU:C:2018:22), in herinnering gebracht dat, om te bepalen of de selectieve toepassing van een verlaagd btw-tarief in overeenstemming is met artikel 96 en artikel 99, lid 1, van de btw-richtlijn, de vraag of een handeling die uit meerdere elementen bestaat, moet worden beschouwd als één enkele prestatie, niet van doorslaggevend belang was voor de uitoefening door de lidstaten van de hun bij deze richtlijn geboden beoordelingsvrijheid inzake de toepassing van het verlaagde btw-tarief. In punt 35 van dat arrest heeft het Hof tevens benadrukt dat de vraag die aan het Hof was gesteld, namelijk of één enkele prestatie die uit twee afzonderlijke elementen bestaat, waarvan het ene het hoofdelement en het andere het bijkomende element vormt, moet worden onderworpen aan het enkele btw-tarief dat voor het hoofdelement geldt, een ander probleem was dan dat van de omvang van die beoordelingsvrijheid, dat aan de orde was in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 6 mei 2010, Commissie/Frankrijk (C‑94/09, EU:C:2010:253). **65** In dat opzicht is er geen tegenstrijdigheid tussen het arrest van 18 januari 2018, Stadion Amsterdam (C‑463/16, EU:C:2018:22), en het arrest van 6 mei 2010, Commissie/Frankrijk (C‑94/09, EU:C:2010:253), die betrekking hebben op twee verschillende hypothesen. In de eerste hypothese gaat het over de vraag of nevenprestaties bij een hoofdprestatie moeten worden onderworpen aan het normale btw-tarief dat op deze hoofdprestatie van toepassing is wanneer de betrokken lidstaat geen gebruik heeft gemaakt van de hem bij artikel 98 van de btw-richtlijn verleende beoordelingsvrijheid, die hem de mogelijkheid biedt om concrete en specifieke aspecten van een in bijlage III bij deze richtlijn genoemde categorie van diensten afzonderlijk in aanmerking te nemen. In de tweede hypothese gaat het over een situatie waarin de betrokken lidstaat van deze beoordelingsvrijheid gebruik heeft gemaakt. \\ **66** Wat betreft de zaak die heeft geleid tot het arrest van 4 mei 2023, Finanzamt X (Blijvend geïnstalleerde werktuigen en machines) (C‑516/21, EU:C:2023:372), volstaat het op te merken dat deze, anders dan de onderhavige zaken, niet ging over de selectieve toepassing van een verlaagd btw-tarief op een in bijlage III bij de btw-richtlijn genoemde categorie van diensten, maar over de uitlegging van artikel 135, lid 1, onder l), en artikel 135, lid 2, eerste alinea, onder c), van deze richtlijn, die respectievelijk betrekking hebben op de vrijgestelde verhuur en verpachting van onroerende goederen en op de handelingen die van deze vrijstelling zijn uitgesloten. In die zaak diende het Hof zich dus uit te spreken over de btw-vrijstellingen en de uitzonderingen daarop, zoals voorzien in de btw-richtlijn zelf, en niet, zoals in de onderhavige zaken, over de omvang van de door deze richtlijn aan de lidstaten verleende beoordelingsvrijheid inzake de selectieve toepassing van het verlaagde btw-tarief. ---- ===Economisch 1 geheel --> geen verlaagd tarief mogelijk=== [[https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/HTML/?uri=CELEX:62011CJ0044&from=nl|Deutsche Bank]], r.o. 41 e.v. 41 Uit punt 27 van het onderhavige arrest blijkt evenwel dat het niet mogelijk is om het ene element van deze prestatie als de hoofddienst en het andere als de bijkomstige dienst te beschouwen. Deze elementen moeten immers op hetzelfde niveau worden geplaatst. 42 Volgens vaste rechtspraak moeten de bewoordingen waarin vrijstellingen als die van artikel 135, lid 1, van richtlijn 2006/112 zijn omschreven, strikt worden uitgelegd, aangezien zij afwijken van het algemene beginsel dat btw wordt geheven over elke dienst die door een belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht (zie met name arrest van 20 november 2003, Taksatorringen, C-8/01, Jurispr. blz. I-13711, punt 36, en arrest DTZ Zadelhoff, reeds aangehaald, punt 20). 43 Aangezien deze prestatie dus voor de toepassing van de btw slechts in haar geheel in aanmerking kan worden genomen, kan zij niet vallen binnen de werkingssfeer van artikel 135, lid 1, sub f, van richtlijn 2006/112. ---- [[https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/HTML/?uri=CELEX:62015CJ0432&from=nl|Baštová]], r.o. 72 Als het niet mogelijk is te bepalen welk van de elementen die één enkele samengestelde prestatie vormen, een hoofdelement en één of meerdere bijkomende elementen vormen, moeten de elementen die deze prestatie vormen, als gelijkwaardig worden beschouwd. ---- * [[https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/HTML/?uri=CELEX:62021CJ0516|Finanzamt X v Y. (Letting of permanently installed equipment and machinery)]] \\ CJEU 4 May 2023, Case C-516/21, Finanzamt X v Y., ECLI:EU:C:2023:372 \\ **36.** Deze beginselen doen evenwel niet af aan de rechtspraak volgens welke de verschillende prestaties van één enkele economische prestatie moeten worden onderworpen aan een en hetzelfde btwregime. Het Hof heeft immers geoordeeld dat indien de lidstaten de verschillende elementen van één enkele prestatie zouden mogen onderwerpen aan verschillende btw-tarieven, dit erop zou neerkomen dat zij die prestatie kunstmatig mogen opsplitsen en dat de functionaliteit van het btwstelsel in het gedrang komt (zie in die zin arrest van 18 januari 2018, Stadion Amsterdam, C-463/16, EU:C:2018:22, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak). ===Parkeren=== ==Toverland== [[http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2021:699|HR 7 mei 2021, nr. 19/02610, (Toverland), ECLI:NL:HR:2021:699, V-N 2021/21.13, NTFR 2021/1549]] 3.2.3 Voor een ondernemer die tegen een afzonderlijke vergoeding bezoekers parkeergelegenheid aanbiedt op de plaats waar hij tegen vergoeding toegang tot een attractiepark als het onderhavige verleent, geldt het volgende. Omdat binnen een dergelijk attractiepark het beschikken over een auto voor bezoekers geen rol speelt, moet het **uitgangspunt** zijn **(i)** dat de ondernemer met het tegen vergoeding** bieden van parkeergelegenheid in de nabijheid van de ingang van het park een ander economisch doel** heeft dan het economische doel dat hij voor ogen heeft met het tegen vergoeding geven van toegang tot dat park, en **(ii)** dat de gemiddelde bezoeker van zo’n attractiepark een **afzonderlijk belang** heeft bij een door die ondernemer tegen een afzonderlijke vergoeding aangeboden parkeerdienst. **Aan dit een en ander doet niet af dat er voor de ondernemer een economisch verband bestaat tussen het verlenen van toegang tot het park en het bieden van parkeergelegenheid.** 3.2.4 De hiervoor in 2.2.3 weergegeven oordelen van het Hof komen in wezen erop neer dat voor de gemiddelde bezoeker van het attractiepark het gebruikmaken van het parkeerterrein niet een doel op zich kan vormen, omdat, vanwege de ligging en de bereikbaarheid van het attractiepark, 80 procent van de bezoekers is genoodzaakt om met de auto te reizen, en dat aan deze wijze van vervoer onlosmakelijk is gekoppeld het gebruikmaken van het parkeerterrein. Het Hof heeft met dit oordeel hetgeen hiervoor in 3.2.3 is overwogen, miskend. D**e daarin omschreven uitgangspunten vinden ook toepassing indien binnen de kring van bezoekers een relatief grote groep kan worden onderscheiden die zich gedwongen voelt om gebruik te maken van de parkeerdienst teneinde de hoofdprestatie van de BV te kunnen afnemen.** Het middel slaagt in zoverre. ---- ==Hoge Veluwe== [[http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2018:1318|HR 17 augustus 2018, nr. 16/05128 (Parkeren bij Nationaal Park), ECLI:NL:HR:2018:1318]] 2.3.3. De vraag of sprake is van een prestatie die gebruikmaking van de hoofdprestatie optimaal maakt, moet worden beoordeeld vanuit het perspectief van de gemiddelde afnemer van die hoofdprestatie. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie moet worden afgeleid dat bij die beoordeling het economische doel van de samengestelde prestatie in acht moet worden genomen, waarbij ook het belang van de afnemer van die prestatie in overweging moet worden genomen (vgl. HvJ 8 december 2016, Stock ’94, C-208/15, ECLI:EU:C:2016:936, punt 29). Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat een aanwijzing dat een prestatie bijkomend is, kan zijn gelegen in de omstandigheid dat die prestatie voor de gemiddelde afnemer van de hoofdprestatie geen afzonderlijk belang heeft ten opzichte van de hoofdprestatie (vgl. HvJ 26 mei 2016, Bookit Ltd, C-607/14, ECLI:EU:C:2016:355, punt 24). **Indien binnen de kring van afnemers van de hoofdprestatie het belang bij het afnemen van de nevenprestatie onderling verschilt, vormt dat echter een aanwijzing dat geen sprake is van een bijkomende prestatie die het fiscale lot van de hoofdprestatie moet delen** (vgl. HR 13 oktober 2017, nr. 15/05195, ECLI:NL:HR:2017:2598, BNB 2018/20, rechtsoverweging 2.3.3). **Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat een afzonderlijke vergoeding voor de nevenprestatie wordt berekend en voor de omstandigheid dat de afnemer een keuze heeft om de nevenprestatie al of niet af te nemen.** 2.3.4. In de hiervoor in 2.2 weergegeven oordelen van het Hof ligt besloten het – juiste - **uitgangspunt dat het gebruikmaken van parkeergelegenheid voor een auto op de plaats van bestemming, voor een automobilist in beginsel een doel op zich vormt**. Tevens ligt daarin besloten het oordeel van het Hof dat dit niet anders wordt in een geval als het onderhavige waarin een automobilist die het Park bezoekt, ervoor kiest zijn auto voorafgaand aan het bezoek aan het Park op een van de parkeerterreinen achter te laten. Dat laatste oordeel geeft in het licht van hetgeen hiervoor in 2.3.2 en 2.3.3 is overwogen niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voor het overige kan dat oordeel, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk.** Dat wordt niet anders indien, zoals belanghebbende voor het Hof heeft gesteld, de parkeerterreinen alleen plegen te worden gebruikt door bezoekers van het Park**. Middel 1 faalt. ---- ==Vakantie-, attractie- en waterpark== [[http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2018:165|Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 9 januari 2018, nrs. 17/00466 t/m 17/00468 (Vakantie-, attractie- en waterpark), ECLI:NL:GHARL:2018:165]] [[http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2018:1796|HR 28 september 2018, nr. 18/00615, ECLI:NL:HR:2018:1796, V-N Vandaag 2018/2071, NTFR 2018/2257, 81RO]] Rechtbank: 4.6 Het Hof is van oordeel dat gelegenheid tot parkeren voor de modale bezoeker een doel op zich is. De bezoeker heeft de keuze tussen diverse vervoermiddelen waarmee hij het attractiepark kan bereiken. Een bezoeker die met de auto komt, weet dat hij een vervoermiddel van een bepaalde omvang bij zich heeft dat hij niet zomaar ergens kan achterlaten. Met andere woorden, hij zal, al dan niet uit ervaring, weten dat het bezoek ook voor de auto gevolgen heeft. **De tijdelijke bestemming van de auto is voor deze bezoeker een behoefte op zich**, en het voorzien in deze behoefte door het bieden van gelegenheid tot parkeren is een zelfstandige prestatie, die niet bijkomend is ten opzichte van het verlenen van toegang tot het attractiepark. Het door belanghebbende ingebrachte onderzoeksrapport van [F] bevat geen feiten en omstandigheden die tot een ander inzicht leiden. De antwoorden van de geënquêteerde daggasten die het attractiepark van belanghebbende met de eigen auto hebben bezocht, geven geen aanleiding te veronderstellen dat het parkeren geen doel op zich is. Uit de antwoorden blijkt dat het parkeren bij belanghebbende hoog wordt gewaardeerd en mede van belang is voor het slagen van het bezoek. Met de gratis parkeergelegenheid in het dorp op 500 à 600 meter afstand zijn deze bezoekers kennelijk toch bereid de vergoeding voor het parkeren te betalen. Met deze uitkomsten kan niet worden gezegd dat het parkeren bijkomend is. Juridische steun voor zijn oordeel vindt het Hof in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 11 juni 2009, zaak C-572/07, RLRE Tellmer Property sro, ECLI:EU:C:2009:365. Het Hof ziet in de door belanghebbende aangehaalde jurisprudentie geen aanleiding om anders te oordelen dan de Hoge Raad in het onder 4.3 genoemde arrest heeft gedaan. 4.7 De conclusie luidt dat het geven van gelegenheid tot parkeren bij de parken als zelfstandige hoofdprestatie is onderworpen aan het algemene omzetbelastingtarief. Uit het vorenstaande volgt dat het primaire standpunt van de Inspecteur dient te worden gevolgd. ---- ==Popfestival== [[http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2020:10188|Rechtbank Noord-Holland, 17 september 2020, nr. AWB 18/5303, ECLI:NL:RBNHO:2020:10188]] 16. Zoals volgt uit de hierboven aangehaalde arresten geldt als hoofdregel dat het verlenen van toegang tot het festival en het bieden van de mogelijkheid tot parkeren als onderscheiden en zelfstandige prestaties moeten worden beschouwd. Uit de stukken en uit hetgeen partijen daarover over en weer hebben aangevoerd komt namelijk naar voren dat eiseres aan de festivalbezoekers festivalkaarten, parkeerkaarten, combikaarten en kaarten voor gebruik van de pendelbussen verkoopt. Ter zitting is door eiseres nog bevestigd dat slechts 31% van de bezoekers het Festival per auto bezocht. Het parkeren en het verlenen van toegang tot het festivalterrein zijn dus fysiek te onderscheiden prestaties die in voorkomend geval aan de bezoekers afzonderlijk in rekening worden gebracht in ruil voor afzonderlijke vergoedingen. Verder is relevant dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat indien binnen de kring van afnemers van de hoofdprestatie het belang bij het afnemen van de nevenprestatie onderling verschilt en de afnemers de keuze hebben de nevenprestatie al dan niet af te nemen, dat aanwijzingen zijn dat geen sprake is van een bijkomende prestatie die het fiscale lot van de hoofdprestatie deelt (vgl. Hoge Raad 17 augustus 2018, 16/05128, ECLI:NL:HR:2018:1318). Het gebruik maken van de geboden mogelijkheid tot parkeren door een bezoeker van het Festival die met de auto komt, vormt in beginsel voor deze automobilist dan ook een doel op zich . (...) 18. Eiseres heeft met hetgeen zij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat in haar specifieke geval moet worden afgeweken van het uitgangspunt dat het gebruik maken van de geboden mogelijkheid tot parkeren voor een bezoeker van het Festival een doel op zich is. Dat, zoals eiseres heeft gesteld, het verkeers- en vervoersplan een onderdeel is van de voorwaarden waaronder een vergunning kan worden toegekend voor het festival, maakt dit niet anders omdat dit element speelt in de verhouding tussen de gemeente en eiseres. Deze omstandigheid hoeft dus geen invloed te hebben op het perspectief van de modale consument. D**it geldt ook voor de omstandigheid dat voor eiseres het bieden van de parkeerprestatie een vanwege de vergunning noodzakelijke doch op zich ondergeschikte prestatie is voor het bieden van toegang tot het festival.** Naar het oordeel van de rechtbank zijn het verlenen van toegang tot het festivalterrein en het bieden van de parkeergelegenheid dan ook geen formeel gescheiden prestaties die niettemin moeten worden beschouwd als één enkele handeling, en zijn de beide prestaties ook niet aan te merken als één handeling die economisch gezien uit één prestatie bestaat en waarvan splitsing in twee afzonderlijke prestaties kunstmatig zou zijn. **Daaraan doet niet af dat, naar eiseres heeft aangevoerd, de parkeergelegenheid, anders dan in het bij het genoemde arrest van de Hoge Raad berechtte geval, een tijdelijke voorziening is die alleen tijdens het Festival wordt verleend.** ---- ==Efteling== [[http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2004:AR8580|Hof Den Bosch, 17 september 2004, nr. 03/01407, ECLI:NL:GHSHE:2004:AR8580]] [[http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2006:AV4043|Hoge Raad 10 maart 2006, nr. 41811, BNB 2006/220, ECLI:NL:HR:2006:AV4043]] Hof 4.3. Het geven van gelegenheid tot het parkeren van personenauto's en het stallen van fietsen is geen dienst waarop post b.14, aanhef en onderdeel g, van de bij de Wet behorende tabel I (hierna: de tabelpost) van toepassing is. Dit is niet anders in het onderhavige geval, waarin de belanghebbende een attractiepark exploiteert en zij aan de bezoekers daarvan tegen betaling van een vergoeding de gelegenheid biedt tot het parkeren van personenauto's en het stallen van fietsen. De belanghebbende verleent immers tegen vergoeding toegang tot het park -ook aan personen die anders dan met een personenauto of een fiets arriveren- en verlangt (slechts) van de bezoekers van het park die per auto of fiets komen en die ervoor kiezen gebruik te maken van het parkeerterrein of de fietsenstalling een (afzonderlijke) vergoeding, uitdrukkelijk voor het mogen parkeren of stallen, welke vergoeding ook voor wat betreft de personenauto's een vast bedrag is, ongeacht het aantal inzittenden. Gelet op het vorenstaande, alsmede gelet op de omstandigheid dat de onder 2.2 bedoelde munt **niet alleen tegelijkertijd met het toegangsbewijs voor het park kan worden gekocht, maar ook bij de automaten bij de ingang van het park, gelegen achter de kassa, doch vóór de kaartcontrole**, waardoor de modale consument zal menen gebruik te maken van meerdere, van elkaar te onderscheiden diensten, kan het door de belanghebbende geven van gelegenheid tot het parkeren van personenauto's en het stallen van fietsen niet anders worden aangemerkt dan als een op zichzelf staande dienst welke zij niet in haar hoedanigheid van exploitant van een attractiepark in de zin van de tabelpost verricht (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 3 oktober 2003, nr. 38.661, NTFR 2003/1728). **Van een dienstverrichting waarbij economisch gesproken één dienst wordt verleend, is geen sprake**. De omstandigheid dat de belanghebbende verplicht is voor voldoende parkeergelegenheid te zorgen en dat er voor bezoekers van het park die per personenauto of per fiets komen de facto vrijwel geen andere mogelijkheid bestaat om hun auto te parkeren dan wel hun fiets te stallen, doet aan het vorenstaande niet af. (...) 4.7. Hoewel circa 2/3-gedeelte van de bezoekers van het park per personenauto of fiets komt en vrijwel al deze bezoekers van het parkeerterrein of de fietsenstalling gebruikmaken, vormt het door de belanghebbende geven van gelegenheid tot het parkeren van personenauto's en het stallen van fietsen naar het oordeel van het Hof geen middel om het door de belanghebbende verlenen van toegang tot het park zo aantrekkelijk mogelijk te maken. Het parkeren van hun personenauto of het stallen van hun fiets vormt, mede gelet op hetgeen onder 4.3 is overwogen, v**oor de bezoekers van het park een doel op zich en staat daarmede los van het verlenen van toegang tot het park**. Derhalve is het Hof van oordeel dat het door de belanghebbende geven van gelegenheid tot het parkeren van personenauto's en het stallen van fietsen geen dienst is welke als bijkomend bij het door de belanghebbende verlenen van toegang tot het park kan worden aangemerkt. ==Hospice Barendrecht== {{ :belastbare_handeling:2019_07_18_-_rb_den_haag_-_awb18-6930_-_hospice_vrijgestelde_prestaties_-_barendrecht_-_ecli_nl_rbdha_2019_9205.pdf |Hospice Barendrecht}} 15. De dienstverlening door de vrijwilligers is niet zodanig verweven met het verstrekken van logies en verteer dat die niet afzonderlijk in beschouwing kan worden genomen. Verder is enerzijds voor het bieden van logies en verteer de aanwezigheid van de vrijwilligers niet onontbeerlijk, anderzijds zouden de vrijwilligers ook buiten het kader van het hospice hun diensten kunnen verlenen aan terminaal zieken. De vrijwilligers verrichten hun werkzaamheden ook niet onder leiding van eiseres maar onder leiding van de coördinator van Stichting L. De rechtbank neemt verder in aanmerking dat uit de stukken van het geding en de verklaringen van eiseres ter zitting volgt dat de vrijwilligers materieel de taken van de reguliere mantelzorgers van de gast overnemen, maar dat die mantelzorgers ook zelf binnen het hospice als zodanig actief kunnen blijven. Gezien het voorgaande is in onderhavig geval noch sprake van een zodanige verwevenheid dat splitsing kunstmatig zou zijn, noch van absorptie. ---- ==Meerdaags Muziek + kamperen festival== [[https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:10569|Rechtbank Den Haag 26 augustus 2021, SGR 20/5845]] \\ 13. De rechtbank stelt vast dat in de onderwerpelijke gevallen het verlenen van toegang tot het festival, inclusief het bieden van kampeergelegenheid, één economische prestatie vormt. Het is niet mogelijk om het ene element van deze samengestelde prestatie als de hoofddienst en het andere als de bijkomstige dienst te beschouwen. De samenstellende elementen van de prestatie, te weten de toegang tot het festival en de gelegenheid tot kamperen zijn, vanuit het oogpunt van de modale consument en gelet op het doel ervan als gelijkwaardig te beschouwen. Daarbij overweegt de rechtbank dat een festivalticket immer een recht op kamperen omvat, er géén dagkaarten beschikbaar zijn, dat het evenement als een combinatie van een festival en kampeerevenement wordt geadverteerd en aangeboden, er slechts één prijs voor beide elementen wordt berekend en dat dit samenstel van elementen alleen als één geheel kan worden afgenomen. Aangezien beide elementen van deze ene economische prestatie onder het lage tarief vallen, kan op het economische geheel ook het lage tarief worden toegepast. 14. Anders dan eiseres bepleit, maakt het bieden van de mogelijkheid tot parkeren geen onderdeel uit van de onder 13 bedoelde economische prestatie. De rechtbank overweegt daarbij dat de Hoge Raad een aantal richtinggevende arresten heeft gewezen over de vraag of er ten aanzien van het geven van gelegenheid tot parkeren sprake is van een bijkomende prestatie bij de hoofdprestatie, dan wel een zelfstandige prestatie.2 In het laatstelijk hierover gewezen arrest van 7 mei 20213 is door de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen: “3.2.3 Voor een ondernemer die tegen een afzonderlijke vergoeding bezoekers parkeergelegenheid aanbiedt op de plaats waar hij tegen vergoeding toegang tot een attractiepark als het onderhavige verleent, geldt het volgende. Omdat binnen een dergelijk attractiepark het beschikken over een auto voor bezoekers geen rol speelt, moet het uitgangspunt zijn (i) dat de ondernemer met het tegen vergoeding bieden van parkeergelegenheid in de nabijheid van de ingang van het park een ander economisch doel heeft dan het economische doel dat hij voor ogen heeft met het tegen vergoeding geven van toegang tot dat park, en (ii) dat de gemiddelde bezoeker van zo’n attractiepark een afzonderlijk belang heeft bij een door die ondernemer tegen een afzonderlijke vergoeding aangeboden parkeerdienst. Aan dit een en ander doet niet af dat er voor de ondernemer een economisch verband bestaat tussen het verlenen van toegang tot het park en het bieden van parkeergelegenheid. ---- ===Mixerstructuur=== * Kostenmixerstructuur \\ HR 24 september 2004, nr. 39 537, BNB 2006/163, FED 2004/652. Zie ook WFR 2008/279 ---- ===Literatuur=== ----