Table of Contents

Economische realiteit


1. Aantekeningen

Interessant, welkom subjectiviteit in de btw. De AG staat dus Mydibel/Don Bosco-aanpak voor als hoofdregel. Maar hoe zien we dan FBK en Vega? Overigens: de thematiek van ons artikel (relevantie eco realiteit) komt eigenlijk voort uit de omstandigheid dat het recht per definitie onvolmaakt is, in die zin dat niet elke situatie precies en uitputtend geregeld kan worden in het positieve recht (wet-en regelgeving). Er is dus altijd een noodzaak om a) relevante feiten te kiezen, b) relevante regels te kiezen, en c) de regels op de feiten toe te passen. Als rechter (maar ook belplichtige) moet je dus op zoek. Groet! Frank Hoi Frank,


Voor ons artikeltje: conclusie van AG in UP Caffee:

b) Beoordeling van de feiten versus uitlegging van een rechtsnorm

33. Volgens het Hof kan het beginsel van het verbod van misbruik ook worden tegengeworpen aan een belastingplichtige indien de nationale wet geen bepalingen bevat om in geval van fraude of misbruik voordelen uit rechten uit hoofde van de btw-richtlijn te weigeren.(9)

34. Het Hof baseert zijn redenering onder meer op het feit dat de weigering om in geval van fraude of misbruik te profiteren van de uit de btw-richtlijn voortvloeiende voordelen als inherent aan het gemeenschappelijke btw-stelsel moet worden gezien.(10) In het bijzonder zijn in een dergelijk geval de objectieve voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het gewenste voordeel te verkrijgen in werkelijkheid niet vervuld.(11)

1) Onproblematisch: bepaling van de economische feiten

35. Bij het bepalen van de relevante feiten moet de handeling worden beoordeeld zoals de partijen deze feitelijk hebben bedoeld, dat wil zeggen op basis van de feitelijke economische omstandigheden. Niet de gekozen civielrechtelijke regeling, dat wil zeggen de „externe rechtsvorm” van de handeling is beslissend, maar de economische bedoeling van de partijen, gelet op het geheel van de omstandigheden. Dit is echter geen kwestie van de uitlegging van het Unierecht (of van het nationale recht), maar van de beoordeling van de feiten.

36. In het kader van de procedure van artikel 267 VWEU, die op een duidelijke afbakening van de taken van de nationale rechterlijke instanties en van het Hof berust, is de nationale rechter bij uitsluiting bevoegd om de feiten van het hoofdgeding vast te stellen en te beoordelen en het nationale recht uit te leggen en toe te passen.(12) Het Hof kan ter zake hoogstens aanwijzingen geven. Indien de verwijzende rechter tot de conclusie komt dat de oprichting van verzoekster slechts juridisch fictief was om het bedrijf van de vorige vennootschap economisch voort te zetten, kan hij bijvoorbeeld in het kader van een economische benadering voorbijgaan aan de „externe rechtsvorm” en uitgaan van de juiste, economisch daadwerkelijk bedoelde feiten.

37. Dit volgt reeds uit het feit dat het belastingrecht uiteindelijk beoogt economische situaties gelijk te belasten. Om die reden moet eerst de economische inhoud van de feiten juist worden begrepen. Een constructie die deze economische inhoud kunstmatig probeert te omzeilen of te verbergen door middel van de vrijheid van organisatie onder het burgerlijk recht, kan de werkelijke onderliggende feiten niet veranderen. Gelet op het beginsel van gelijke belastingheffing moeten economisch vergelijkbare situaties (ongeacht hun civielrechtelijke constructie) op dezelfde wijze worden belast. Een dergelijke beoordeling van de feiten kan op basis van het door de Commissie aangehaalde artikel 11 van de Opći porezni zakon in casu zelfs denkbaar zijn. Deze bepaling lijkt immers te vereisen dat de fiscale situatie wordt bepaald aan de hand van de economische inhoud ervan.


, Ch. P. A., 1965, Fiscale Rechtsvinding (diss.), Amsterdam: NV Uitgeverij FED, pp. 151-153;

Heber, C., Sternberg, C., Legal Interpretation of Tax Law: Germany, in Brederode, R.F., Krever, R., 2017, Legal Interpretation of Tax Law, The Hague: Kluwer International BV, p. 221-222


https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2025:669


Fenix: 77. De gegevens die krachtens artikel 226, punten 5 en 6, van de btw-richtlijn op de factuur – te weten een document met betrekking tot hetwelk iedere belastingplichtige overeenkomstig artikel 220, punt 1, van deze richtlijn ervoor moet zorgen dat het naar behoren is uitgereikt voor elke dienst die hij met name heeft verricht voor een andere belastingplichtige (zie in die zin arrest van 18 juli 2013, Evita-K, C 78/12, EU:C:2013:486, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak) – moeten worden vermeld, zijn elementen die deel uitmaken van de commerciële en contractuele betrekkingen tussen de verschillende partijen en die geacht worden de economische en commerciële realiteit van de betrokken transacties weer te geven. Deze gegevens maken aldus een beoordeling mogelijk van de betrekkingen tussen de verschillende marktdeelnemers die optreden bij langs elektronische weg verrichte diensten


2. Regelgeving


3. Jurisprudentie

A Oy, C‑410/17
47 In such as case, the taxable base of the supply of services which is the subject matter of a demolition contract, such as that at issue in the main proceedings, is constituted by the price actually paid by the client and by the value attributed by the service provider to the recyclable scrap metal, as reflected in the amount of the reduction of the price charged for the supply of services.

48 However, it may be that, on occasion, that value does not reflect economic and commercial reality which, according to the case-law of the Court, is a fundamental criterion for the application for the common system of VAT. In such a case, it is for the national court to ensure, taking account of all the relevant circumstances, that there is no abuse (see, to that effect, judgment of 20 June 2013, Newey, C‑653/11, EU:C:2013:409, paragraph 39, 46 and 52).

49 Accordingly, the answer to the first question is that Article 2(1)(a) and © of Directive 2006/112, read together with Article 14(1) and Article 24(1) thereof, must be interpreted as meaning that, where, pursuant to a demolition contract, the service provider, namely a demolition company, is required to carry out demolition works and may, in so far as the demolition waste contains scrap metal, resell that scrap metal, that contract consists of a supply of services for consideration, that is to say the performance of demolition works, and also a supply of goods for consideration, that is the supply of the scrap metal, if the purchaser, that is to say the demolition company, attributes a value to that supply of goods, which it factors in when calculating the price quoted for the performance of the demolition works, that supply of goods being, however, subject to VAT only if it is made by a taxable person acting as such.


Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de inaanmerkingneming van de economische realiteit een fundamenteel criterium voor de toepassing van het gemeenschappelijk stelsel van btw vormt (arrest van 20 februari 1997, DFDS, C-260/95, Jurispr. blz. I-1005, punt 23)



4. Literatuur