Je zou kunnen zeggen dat er 3 'varianten' zijn
Uitzoeken:
Sebrenany en RAIFFEISEN LEASING
Uitzoeken:
Frank Kunduz - financiering factor / garantstelling
samengestelde prestatie aan 2 afnemers
finanicering = hoofd
garantie wordt geabsorbeerd
27. In dit verband komt geen belang toe aan het feit dat de elementen die een dergelijke handeling vormen, in andere omstandigheden afzonderlijk kunnen worden geleverd en op grond van artikel 1, lid 2, tweede alinea, van de btw-richtlijn als onderscheiden en onafhankelijk worden beschouwd (zie in die zin beschikking van 19 januari 2012, Purple Parking en Airparks Services, C-117/11, niet gepubliceerd, EU:C:2012:29, punt 31).
6. Vgl. voor dit een en ander HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:863, rechtsoverweging 5.4.
Deutsche Bank, r.o. 41 e.v.
41 Uit punt 27 van het onderhavige arrest blijkt evenwel dat het niet mogelijk is om het ene element van deze prestatie als de hoofddienst en het andere als de bijkomstige dienst te beschouwen. Deze elementen moeten immers op hetzelfde niveau worden geplaatst.
42 Volgens vaste rechtspraak moeten de bewoordingen waarin vrijstellingen als die van artikel 135, lid 1, van richtlijn 2006/112 zijn omschreven, strikt worden uitgelegd, aangezien zij afwijken van het algemene beginsel dat btw wordt geheven over elke dienst die door een belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht (zie met name arrest van 20 november 2003, Taksatorringen, C-8/01, Jurispr. blz. I-13711, punt 36, en arrest DTZ Zadelhoff, reeds aangehaald, punt 20).
43 Aangezien deze prestatie dus voor de toepassing van de btw slechts in haar geheel in aanmerking kan worden genomen, kan zij niet vallen binnen de werkingssfeer van artikel 135, lid 1, sub f, van richtlijn 2006/112.
Baštová, r.o. 72 Als het niet mogelijk is te bepalen welk van de elementen die één enkele samengestelde prestatie vormen, een hoofdelement en één of meerdere bijkomende elementen vormen, moeten de elementen die deze prestatie vormen, als gelijkwaardig worden beschouwd.
HR 7 mei 2021, nr. 19/02610, (Toverland), ECLI:NL:HR:2021:699, V-N 2021/21.13, NTFR 2021/1549
3.2.3 Voor een ondernemer die tegen een afzonderlijke vergoeding bezoekers parkeergelegenheid aanbiedt op de plaats waar hij tegen vergoeding toegang tot een attractiepark als het onderhavige verleent, geldt het volgende. Omdat binnen een dergelijk attractiepark het beschikken over een auto voor bezoekers geen rol speelt, moet het uitgangspunt zijn (i) dat de ondernemer met het tegen vergoeding** bieden van parkeergelegenheid in de nabijheid van de ingang van het park een ander economisch doel** heeft dan het economische doel dat hij voor ogen heeft met het tegen vergoeding geven van toegang tot dat park, en (ii) dat de gemiddelde bezoeker van zo’n attractiepark een afzonderlijk belang heeft bij een door die ondernemer tegen een afzonderlijke vergoeding aangeboden parkeerdienst. Aan dit een en ander doet niet af dat er voor de ondernemer een economisch verband bestaat tussen het verlenen van toegang tot het park en het bieden van parkeergelegenheid.
3.2.4 De hiervoor in 2.2.3 weergegeven oordelen van het Hof komen in wezen erop neer dat voor de gemiddelde bezoeker van het attractiepark het gebruikmaken van het parkeerterrein niet een doel op zich kan vormen, omdat, vanwege de ligging en de bereikbaarheid van het attractiepark, 80 procent van de bezoekers is genoodzaakt om met de auto te reizen, en dat aan deze wijze van vervoer onlosmakelijk is gekoppeld het gebruikmaken van het parkeerterrein. Het Hof heeft met dit oordeel hetgeen hiervoor in 3.2.3 is overwogen, miskend. De daarin omschreven uitgangspunten vinden ook toepassing indien binnen de kring van bezoekers een relatief grote groep kan worden onderscheiden die zich gedwongen voelt om gebruik te maken van de parkeerdienst teneinde de hoofdprestatie van de BV te kunnen afnemen. Het middel slaagt in zoverre.
HR 17 augustus 2018, nr. 16/05128 (Parkeren bij Nationaal Park), ECLI:NL:HR:2018:1318
2.3.3. De vraag of sprake is van een prestatie die gebruikmaking van de hoofdprestatie optimaal maakt, moet worden beoordeeld vanuit het perspectief van de gemiddelde afnemer van die hoofdprestatie. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie moet worden afgeleid dat bij die beoordeling het economische doel van de samengestelde prestatie in acht moet worden genomen, waarbij ook het belang van de afnemer van die prestatie in overweging moet worden genomen (vgl. HvJ 8 december 2016, Stock ’94, C-208/15, ECLI:EU:C:2016:936, punt 29).
Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat een aanwijzing dat een prestatie bijkomend is, kan zijn gelegen in de omstandigheid dat die prestatie voor de gemiddelde afnemer van de hoofdprestatie geen afzonderlijk belang heeft ten opzichte van de hoofdprestatie (vgl. HvJ 26 mei 2016, Bookit Ltd, C-607/14, ECLI:EU:C:2016:355, punt 24). Indien binnen de kring van afnemers van de hoofdprestatie het belang bij het afnemen van de nevenprestatie onderling verschilt, vormt dat echter een aanwijzing dat geen sprake is van een bijkomende prestatie die het fiscale lot van de hoofdprestatie moet delen (vgl. HR 13 oktober 2017, nr. 15/05195, ECLI:NL:HR:2017:2598, BNB 2018/20, rechtsoverweging 2.3.3). Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat een afzonderlijke vergoeding voor de nevenprestatie wordt berekend en voor de omstandigheid dat de afnemer een keuze heeft om de nevenprestatie al of niet af te nemen.
2.3.4. In de hiervoor in 2.2 weergegeven oordelen van het Hof ligt besloten het – juiste - uitgangspunt dat het gebruikmaken van parkeergelegenheid voor een auto op de plaats van bestemming, voor een automobilist in beginsel een doel op zich vormt. Tevens ligt daarin besloten het oordeel van het Hof dat dit niet anders wordt in een geval als het onderhavige waarin een automobilist die het Park bezoekt, ervoor kiest zijn auto voorafgaand aan het bezoek aan het Park op een van de parkeerterreinen achter te laten. Dat laatste oordeel geeft in het licht van hetgeen hiervoor in 2.3.2 en 2.3.3 is overwogen niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voor het overige kan dat oordeel, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk.** Dat wordt niet anders indien, zoals belanghebbende voor het Hof heeft gesteld, de parkeerterreinen alleen plegen te worden gebruikt door bezoekers van het Park**. Middel 1 faalt.
Rechtbank: 4.6 Het Hof is van oordeel dat gelegenheid tot parkeren voor de modale bezoeker een doel op zich is. De bezoeker heeft de keuze tussen diverse vervoermiddelen waarmee hij het attractiepark kan bereiken. Een bezoeker die met de auto komt, weet dat hij een vervoermiddel van een bepaalde omvang bij zich heeft dat hij niet zomaar ergens kan achterlaten. Met andere woorden, hij zal, al dan niet uit ervaring, weten dat het bezoek ook voor de auto gevolgen heeft. De tijdelijke bestemming van de auto is voor deze bezoeker een behoefte op zich, en het voorzien in deze behoefte door het bieden van gelegenheid tot parkeren is een zelfstandige prestatie, die niet bijkomend is ten opzichte van het verlenen van toegang tot het attractiepark. Het door belanghebbende ingebrachte onderzoeksrapport van [F] bevat geen feiten en omstandigheden die tot een ander inzicht leiden. De antwoorden van de geënquêteerde daggasten die het attractiepark van belanghebbende met de eigen auto hebben bezocht, geven geen aanleiding te veronderstellen dat het parkeren geen doel op zich is. Uit de antwoorden blijkt dat het parkeren bij belanghebbende hoog wordt gewaardeerd en mede van belang is voor het slagen van het bezoek. Met de gratis parkeergelegenheid in het dorp op 500 à 600 meter afstand zijn deze bezoekers kennelijk toch bereid de vergoeding voor het parkeren te betalen. Met deze uitkomsten kan niet worden gezegd dat het parkeren bijkomend is. Juridische steun voor zijn oordeel vindt het Hof in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 11 juni 2009, zaak C-572/07, RLRE Tellmer Property sro, ECLI:EU:C:2009:365. Het Hof ziet in de door belanghebbende aangehaalde jurisprudentie geen aanleiding om anders te oordelen dan de Hoge Raad in het onder 4.3 genoemde arrest heeft gedaan.
4.7 De conclusie luidt dat het geven van gelegenheid tot parkeren bij de parken als zelfstandige hoofdprestatie is onderworpen aan het algemene omzetbelastingtarief. Uit het vorenstaande volgt dat het primaire standpunt van de Inspecteur dient te worden gevolgd.
Rechtbank Noord-Holland, 17 september 2020, nr. AWB 18/5303, ECLI:NL:RBNHO:2020:10188
16. Zoals volgt uit de hierboven aangehaalde arresten geldt als hoofdregel dat het verlenen van toegang tot het festival en het bieden van de mogelijkheid tot parkeren als onderscheiden en zelfstandige prestaties moeten worden beschouwd. Uit de stukken en uit hetgeen partijen daarover over en weer hebben aangevoerd komt namelijk naar voren dat eiseres aan de festivalbezoekers festivalkaarten, parkeerkaarten, combikaarten en kaarten voor gebruik van de pendelbussen verkoopt. Ter zitting is door eiseres nog bevestigd dat slechts 31% van de bezoekers het Festival per auto bezocht. Het parkeren en het verlenen van toegang tot het festivalterrein zijn dus fysiek te onderscheiden prestaties die in voorkomend geval aan de bezoekers afzonderlijk in rekening worden gebracht in ruil voor afzonderlijke vergoedingen. Verder is relevant dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat indien binnen de kring van afnemers van de hoofdprestatie het belang bij het afnemen van de nevenprestatie onderling verschilt en de afnemers de keuze hebben de nevenprestatie al dan niet af te nemen, dat aanwijzingen zijn dat geen sprake is van een bijkomende prestatie die het fiscale lot van de hoofdprestatie deelt (vgl. Hoge Raad 17 augustus 2018, 16/05128, ECLI:NL:HR:2018:1318). Het gebruik maken van de geboden mogelijkheid tot parkeren door een bezoeker van het Festival die met de auto komt, vormt in beginsel voor deze automobilist dan ook een doel op zich .
(…)
18. Eiseres heeft met hetgeen zij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat in haar specifieke geval moet worden afgeweken van het uitgangspunt dat het gebruik maken van de geboden mogelijkheid tot parkeren voor een bezoeker van het Festival een doel op zich is. Dat, zoals eiseres heeft gesteld, het verkeers- en vervoersplan een onderdeel is van de voorwaarden waaronder een vergunning kan worden toegekend voor het festival, maakt dit niet anders omdat dit element speelt in de verhouding tussen de gemeente en eiseres. Deze omstandigheid hoeft dus geen invloed te hebben op het perspectief van de modale consument. Dit geldt ook voor de omstandigheid dat voor eiseres het bieden van de parkeerprestatie een vanwege de vergunning noodzakelijke doch op zich ondergeschikte prestatie is voor het bieden van toegang tot het festival. Naar het oordeel van de rechtbank zijn het verlenen van toegang tot het festivalterrein en het bieden van de parkeergelegenheid dan ook geen formeel gescheiden prestaties die niettemin moeten worden beschouwd als één enkele handeling, en zijn de beide prestaties ook niet aan te merken als één handeling die economisch gezien uit één prestatie bestaat en waarvan splitsing in twee afzonderlijke prestaties kunstmatig zou zijn. Daaraan doet niet af dat, naar eiseres heeft aangevoerd, de parkeergelegenheid, anders dan in het bij het genoemde arrest van de Hoge Raad berechtte geval, een tijdelijke voorziening is die alleen tijdens het Festival wordt verleend.
Hof Den Bosch, 17 september 2004, nr. 03/01407, ECLI:NL:GHSHE:2004:AR8580
Hoge Raad 10 maart 2006, nr. 41811, BNB 2006/220, ECLI:NL:HR:2006:AV4043
Hof 4.3. Het geven van gelegenheid tot het parkeren van personenauto's en het stallen van fietsen is geen dienst waarop post b.14, aanhef en onderdeel g, van de bij de Wet behorende tabel I (hierna: de tabelpost) van toepassing is. Dit is niet anders in het onderhavige geval, waarin de belanghebbende een attractiepark exploiteert en zij aan de bezoekers daarvan tegen betaling van een vergoeding de gelegenheid biedt tot het parkeren van personenauto's en het stallen van fietsen. De belanghebbende verleent immers tegen vergoeding toegang tot het park -ook aan personen die anders dan met een personenauto of een fiets arriveren- en verlangt (slechts) van de bezoekers van het park die per auto of fiets komen en die ervoor kiezen gebruik te maken van het parkeerterrein of de fietsenstalling een (afzonderlijke) vergoeding, uitdrukkelijk voor het mogen parkeren of stallen, welke vergoeding ook voor wat betreft de personenauto's een vast bedrag is, ongeacht het aantal inzittenden.
Gelet op het vorenstaande, alsmede gelet op de omstandigheid dat de onder 2.2 bedoelde munt niet alleen tegelijkertijd met het toegangsbewijs voor het park kan worden gekocht, maar ook bij de automaten bij de ingang van het park, gelegen achter de kassa, doch vóór de kaartcontrole, waardoor de modale consument zal menen gebruik te maken van meerdere, van elkaar te onderscheiden diensten, kan het door de belanghebbende geven van gelegenheid tot het parkeren van personenauto's en het stallen van fietsen niet anders worden aangemerkt dan als een op zichzelf staande dienst welke zij niet in haar hoedanigheid van exploitant van een attractiepark in de zin van de tabelpost verricht (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 3 oktober 2003, nr. 38.661, NTFR 2003/1728). Van een dienstverrichting waarbij economisch gesproken één dienst wordt verleend, is geen sprake.
De omstandigheid dat de belanghebbende verplicht is voor voldoende parkeergelegenheid te zorgen en dat er voor bezoekers van het park die per personenauto of per fiets komen de facto vrijwel geen andere mogelijkheid bestaat om hun auto te parkeren dan wel hun fiets te stallen, doet aan het vorenstaande niet af. (…) 4.7. Hoewel circa 2/3-gedeelte van de bezoekers van het park per personenauto of fiets komt en vrijwel al deze bezoekers van het parkeerterrein of de fietsenstalling gebruikmaken, vormt het door de belanghebbende geven van gelegenheid tot het parkeren van personenauto's en het stallen van fietsen naar het oordeel van het Hof geen middel om het door de belanghebbende verlenen van toegang tot het park zo aantrekkelijk mogelijk te maken. Het parkeren van hun personenauto of het stallen van hun fiets vormt, mede gelet op hetgeen onder 4.3 is overwogen, voor de bezoekers van het park een doel op zich en staat daarmede los van het verlenen van toegang tot het park. Derhalve is het Hof van oordeel dat het door de belanghebbende geven van gelegenheid tot het parkeren van personenauto's en het stallen van fietsen geen dienst is welke als bijkomend bij het door de belanghebbende verlenen van toegang tot het park kan worden aangemerkt.
15. De dienstverlening door de vrijwilligers is niet zodanig verweven met het verstrekken van logies en verteer dat die niet afzonderlijk in beschouwing kan worden genomen. Verder is enerzijds voor het bieden van logies en verteer de aanwezigheid van de vrijwilligers niet onontbeerlijk, anderzijds zouden de vrijwilligers ook buiten het kader van het hospice hun diensten kunnen verlenen aan terminaal zieken. De vrijwilligers verrichten hun werkzaamheden ook niet onder leiding van eiseres maar onder leiding van de coördinator van Stichting L. De rechtbank neemt verder in aanmerking dat uit de stukken van het geding en de verklaringen van eiseres ter zitting volgt dat de vrijwilligers materieel de taken van de reguliere mantelzorgers van de gast overnemen, maar dat die mantelzorgers ook zelf binnen het hospice als zodanig actief kunnen blijven. Gezien het voorgaande is in onderhavig geval noch sprake van een zodanige verwevenheid dat splitsing kunstmatig zou zijn, noch van absorptie.
Rechtbank Den Haag 26 augustus 2021, SGR 20/5845
13. De rechtbank stelt vast dat in de onderwerpelijke gevallen het verlenen van toegang tot het festival, inclusief het bieden van kampeergelegenheid, één economische prestatie vormt. Het is niet mogelijk om het ene element van deze samengestelde prestatie als de hoofddienst en het andere als de bijkomstige dienst te beschouwen. De samenstellende elementen van de prestatie, te weten de toegang tot het festival en de gelegenheid tot kamperen zijn, vanuit het oogpunt van de modale consument en gelet op het doel ervan als gelijkwaardig te beschouwen. Daarbij overweegt de rechtbank dat een festivalticket immer een recht op kamperen omvat, er géén dagkaarten beschikbaar zijn, dat het evenement als een combinatie van een festival en kampeerevenement wordt geadverteerd en aangeboden, er slechts één prijs voor beide elementen wordt berekend en dat dit samenstel van elementen alleen als één geheel kan worden afgenomen. Aangezien beide elementen van deze ene economische prestatie onder het lage tarief vallen, kan op het economische geheel ook het lage tarief worden toegepast.
14. Anders dan eiseres bepleit, maakt het bieden van de mogelijkheid tot parkeren geen onderdeel uit van de onder 13 bedoelde economische prestatie. De rechtbank overweegt daarbij dat de Hoge Raad een aantal richtinggevende arresten heeft gewezen over de vraag of er ten aanzien van het geven van gelegenheid tot parkeren sprake is van een bijkomende prestatie bij de hoofdprestatie, dan wel een zelfstandige prestatie.2 In het laatstelijk hierover gewezen arrest van 7 mei 20213 is door de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen:
“3.2.3 Voor een ondernemer die tegen een afzonderlijke vergoeding bezoekers parkeergelegenheid aanbiedt op de plaats waar hij tegen vergoeding toegang tot een attractiepark als het onderhavige verleent, geldt het volgende. Omdat binnen een dergelijk attractiepark het beschikken over een auto voor bezoekers geen rol speelt, moet het uitgangspunt zijn (i) dat de ondernemer met het tegen vergoeding bieden van parkeergelegenheid in de nabijheid van de ingang van het park een ander economisch doel heeft dan het economische doel dat hij voor ogen heeft met het tegen vergoeding geven van toegang tot dat park, en (ii) dat de gemiddelde bezoeker van zo’n attractiepark een afzonderlijk belang heeft bij een door die ondernemer tegen een afzonderlijke vergoeding aangeboden parkeerdienst. Aan dit een en ander doet niet af dat er voor de ondernemer een economisch verband bestaat tussen het verlenen van toegang tot het park en het bieden van parkeergelegenheid.