Grzera
HvJ 3 april 2025, Zaak C-213/24, E. T. v Dyrektor Izby Administracji Skarbowej we Wrocławiu (Grzera), ECLI:EU:C:2025:238
28 Dienaangaande moet eraan worden herinnerd dat het begrip „belastingplichtige” door de in artikel 9 van de btw-richtlijn gebruikte bewoordingen – met name „eenieder” – ruim gedefinieerd wordt met de nadruk op de zelfstandigheid in de uitoefening van een economische activiteit, in die zin dat alle natuurlijke personen en – zowel publiekrechtelijke als privaatrechtelijke – rechtspersonen en entiteiten zonder rechtspersoonlijkheid die objectief gezien de criteria van die bepaling vervullen, als btw-plichtigen worden beschouwd [arrest van 16 september 2020, Valstybinė mokesčių inspekcija (Overeenkomst voor een gezamenlijke activiteit), C‑312/19, EU:C:2020:711, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
29 Om te bepalen wie in omstandigheden als in het hoofdgeding moet worden beschouwd als „belastingplichtige” voor de btw, moet worden nagegaan wie de betrokken economische activiteit zelfstandig heeft uitgeoefend. Het criterium van zelfstandigheid ziet immers op de vraag aan welke concrete persoon of entiteit de handeling in kwestie moet worden toegerekend, waarbij er bovendien over moet worden gewaakt dat de afnemer rechtszekerheid heeft over de uitoefening van zijn eventueel recht op aftrek. Daartoe moet, zoals reeds in punt 23 van het onderhavige arrest is opgemerkt, worden nagegaan of de betrokken persoon of entiteit de activiteit in eigen naam, voor eigen rekening en onder eigen verantwoordelijkheid verricht, en of deze het aan die activiteiten verbonden economische risico draagt [arrest van 16 september 2020, Valstybinė mokesčių inspekcija (Overeenkomst voor een gezamenlijke activiteit), C‑312/19, EU:C:2020:711, punten 40 en 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
35 Vervolgens kan worden opgemerkt dat uit de door de verwijzende rechter aangehaalde bepalingen van het wetboek familie‑ en voogdijrecht waarin de gemeenschappelijke goederen worden gedefinieerd en geregeld, als zodanig niet lijkt te kunnen worden afgeleid dat de wettelijke gemeenschap die eigenaar is bij de verkoop van een gemeenschappelijk goed, in eigen naam, voor eigen rekening, en onder eigen verantwoordelijkheid handelt, en het economische risico van de verkoop draagt.
(…)
36 Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt echter dat de nationale praktijk het mogelijk maakt om een maatschap zonder rechtspersoonlijkheid als een zelfstandige belastingplichtige te behandelen door haar te beschouwen als de tot voldoening van de btw gehouden entiteit, los van elk van haar vennoten.
37 Aangezien volgens de door de verwijzende rechter en E. T. uiteengezette bepalingen van Pools recht voor de verkoop van een gemeenschappelijk goed de toestemming van elk van de echtgenoten is vereist, en de ene of de andere echtgenoot niet bevoegd is om namens de gemeenschap op te treden, lijken beide echtgenoten bij de betrokken verkopen samen te hebben gehandeld, en zijn zij dus, onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, jegens derden (kopers en overheidsinstanties), en naar buiten toe niet elk zelfstandig naar buiten getreden, hetgeen een relevante factor is voor de identificatie van de belastingplichtige [zie in die zin arresten van 12 oktober 2016, Nigl e.a., C‑340/15, EU:C:2016:764, punten 30 en 34, en 16 september 2020, Valstybinė mokesčių inspekcija (Overeenkomst voor een gezamenlijke activiteit), C‑312/19, EU:C:2020:711, punten 43‑46].
38 Bovendien, en hoewel dit bij nevenhandelingen bij de economische activiteit die tot belastingplicht leidt, niet doorslaggevend is [zie in die zin arresten van 12 oktober 2016, Nigl e.a., C‑340/15, EU:C:2016:764, punten 31 en 32, en 16 september 2020, Valstybinė mokesčių inspekcija (Overeenkomst voor een gezamenlijke activiteit), C‑312/19, EU:C:2020:711, punt 46], kan worden opgemerkt dat de twee echtgenoten blijkens de verwijzingsbeslissing ook samen de lastgevingsovereenkomst hebben gesloten met de gemachtigde en samen de lokale autoriteiten hebben verzocht om een recht van overpad in te stellen om toegang te geven tot de betrokken percelen.
39 Ten slotte staat het aan de verwijzende rechter om na te gaan of, gelet op de regeling van de aansprakelijkheid van de echtgenoten in het kader van hun activiteiten, de wettelijke gemeenschap, en niet elke echtgenoot afzonderlijk, het aan de verkoop van de betrokken gronden verbonden economische risico droeg.