In het arrest van 12 juni 2026,
ECLI:NL:HR:2026:915, heeft de Hoge Raad zich – na het arrest van 11 oktober 2019,
ECLI:NL:HR:2019:1579, nogmaals gebogen over de wijze waarop het griffierecht in Nederland wordt geheven in belastingzaken. In het arrest van 2026 heeft de HR zich specifiek uitgelaten over de verhouding tussen de nationale regeling ex artikel 8:41 Awb en artikelen 47 en 52 Handvest EU. Net als in het arrest uit 2019 komt de HR tot het oordeel dat de regeling inzake het heffen van griffierecht, incl. de bedragen en de voorziening van betalingsonmacht, van dien aard is dat daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen of uiterst moeilijk wordt gemaakt. Daarnaast heeft de HR nogmaals uiteengezet dat de regeling in overeenstemming is met het gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel. Er is dus geen sprake van strijdigheid tussen de nationale regeling inzake het heffen van griffierecht en artikelen 47 en 52 Hv. De HR heeft tot slot bepaald dat de klachten van blh geen aanleiding geven tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ.