Een verzuimboete heeft tot doel een gebod tot nakoming van fiscale verplichtingen in te scherpen. Voor het opleggen van de verzuimboete is voldoende dat aan één of meer van deze verplichtingen niet is voldaan. Factoren als de mate van schuld en opzet zijn verder niet relevant. Bijzondere omstandigheden of afwezigheid van alle schuld kunnen aanleiding zijn tot matiging of het achterwege laten van de boete
28. Hoewel het Hof dit onderscheid in belastingzaken slechts uiterst zelden heeft genoemd, is het toch belangrijk. In de eerste plaats beschikken de lidstaten, ondanks het feit dat de verplichtingen omherstelmaatregelen en strafmaatregelen te nemen beide voortvloeien uit de voorrang van hetUnierecht(13) en de consequentie zijn van hun verplichting om de volle werking van richtlijn 2006/112te waarborgen(14), niet over dezelfde beoordelingsmarge. Wat betreft de verplichting om de toestand teherstellen geldt namelijk, aangezien dit een resultaatsverplichting is, dat de lidstaten de nodigemaatregelen moeten nemen om op zijn minst de toestand te herstellen zoals die zou zijn geweest( 15),terwijl wat betreft de verplichting om recidive met betrekking tot inbreuk op de btw-regels teontmoedigen geldt dat, omdat richtlijn 2006/112 niets zegt over de aard van de sancties die moetenworden vastgesteld, het aan de lidstaten is om de exacte sancties te bepalen, mits deze, zoals hierbovenaangegeven, doeltreffend, afschrikkend en evenredig zijn(16). In de tweede plaats moeten de lidstaten voorzien in de vaststelling van het eerste soort maatregel zonder dat er sprake is van schuld, terwijl zij belastingbetalers alleen moeten bestraffen als deze op zijn minst nalatig zijn geweest.(17)
Voor een (verdere) vermindering van de boetes bestaat dan nog wel aanleiding indien de redelijke termijn waarbinnen de berechting in eerste feitelijke aanleg dient plaats te vinden, is overschreden. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de berechting niet binnen een redelijke termijn plaatsvindt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt aan op het moment dat vanwege het betrokken bestuursorgaan jegens de beboete persoon een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd.
16. Voor het bestaan van voorwaardelijk opzet is niet alleen vereist dat eiser ten tijde van het doen van de aangifte de wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat daardoor te weinig belasting zou worden geheven, maar ook dat hij die kans toen bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).2 Voor de beantwoording van de vraag of (voorwaardelijk) opzet aanwezig is, is mede van belang dat bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de betrokkene dat gevolg heeft gewild of althans de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard.3 Dat de ten onrechte niet betaalde omzetbelasting zowel absoluut als relatief omvangrijk is, rechtvaardigt op zichzelf niet de conclusie dat eiser met opzet heeft gehandeld. Ook niet indien stelselmatig en langdurig te weinig belasting op aangifte zou zijn voldaan. Dat eiser zich ervan bewust had moeten zijn dat zijn betalingen op aangiften onjuist waren, is evenmin voldoende om hem de voor opzet vereiste bewustheid te verwijten.4
2. Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526 r.o. 3.4.5
3. Hoge Raad 3 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:97.
4. Hoge Raad 31 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:492.
Grove schuld doet zich voor indien aan de belastingplichtige een in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid kan worden verweten. Bij grove schuld had belanghebbende bij het doen van aangifte redelijkerwijs moeten of kunnen begrijpen dat dit tot gevolg kon hebben dat te weinig belasting zou worden geheven of betaald. De grove schuld moet bestaan op het tijdstip waarop de verschuldigde belasting uiterlijk had moeten zijn betaald (vgl. HR 31 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:492, BNB 2023/73).
De Inspecteur moet bewijzen op grond van welke feiten en omstandigheden hij heeft aangenomen dat aan de voor de aanwezigheid van grove schuld geldende vereisten is voldaan en dat die feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan (Hoge Raad, 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526./BNB 2022/68).
Zie ook: HR 6 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1135, rechtsoverweging 4.6.2.
De boete voor het aangifteverzuim (artikel 67b AWR) kan samenlopen met een betalingsverzuim (artikel 67c AWR). Het zal immers vaak zo zijn dat als geen aangifte wordt gedaan, ook niet (tijdig) zal worden betaald. De aangifte wordt namelijk gezien als het geleideformulier voor de betaling.
Als geen of te laat aangifte wordt gedaan en niet (tijdig) wordt betaald, kunnen beide boetes worden opgelegd. Het zijn twee afzonderlijke overtredingen. Als wel aangifte wordt gedaan, maar voor een te laag bedrag, dan is geen sprake van een aangifteverzuim op grond van artikel 67b, lid 1, AWR. Het eerste lid stelt namelijk geen boete op het onjuist of onvolledig doen van aangifte. Dit is anders voor de loonbelasting. In dat geval kan wel sprake zijn van een aangifteverzuim én een betalingsverzuim.