HR 21 juni 2024, nr. 22/02323,
ECLI:NL:HR:2024:906
2.3 De klachten zijn onder meer gericht tegen de hiervoor in 2.2.3 weergegeven oordelen van het Hof.
2.4.1 Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan volgens artikel 4:17, lid 1, Awb een dwangsom aan de aanvrager voor elke dag dat het in gebreke is, maar voor ten hoogste 42 dagen. Onder aanvraag wordt volgens artikel 1:3, lid 3, Awb verstaan “een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen”. Artikel 4:17, lid 3, Awb bepaalt dat de eerste dag waarover de dwangsom is verschuldigd, de dag is waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen. Artikel 4:18 Awb schrijft voor dat het bestuursorgaan de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom bij beschikking vaststelt binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom was verschuldigd.
2.4.2 Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de dwangsomregeling volgt dat de ingebrekestelling is bedoeld om het bestuursorgaan aan te sporen binnen een termijn van twee weken alsnog een beslissing te nemen op de in artikel 4:17, lid 1, Awb bedoelde aanvraag van een beschikking. Daarbij heeft de wetgever opgemerkt dat het enkele feit dat het bestuursorgaan de beslistermijn heeft overschreden zonder een beslissing te nemen, niet voldoende is voor het verbeuren van een dwangsom aan de aanvrager, maar dat deze de dwangsomregeling als het ware eerst moet activeren voordat de dwangsom gaat lopen. Het bestuursorgaan wordt door de ingebrekestelling bekend met het feit dat de beslistermijn in de ogen van de aanvrager is overschreden.2 Volgens deze totstandkomingsgeschiedenis dient de ingebrekestelling voorts ter markering van het begin van de termijn waarop de dwangsom ook daadwerkelijk gaat lopen.3
2.4.3 Blijkens de wettelijke bepalingen over de dwangsom en de daarop gegeven toelichting vervult de ingebrekestelling dus enerzijds een attenderende en aansporende functie jegens het bestuursorgaan en anderzijds een functie ter bepaling van de aanvang van de termijn waarover de dwangsom is verschuldigd. Daarmee heeft de ingebrekestelling niet het karakter van een verzoek aan het bestuursorgaan om een (dwangsom)besluit te nemen. De in artikel 4:17, lid 3, Awb bedoelde ingebrekestelling kan daarom niet worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, lid 3, Awb.
Een dwangsombesluit als bedoeld in artikel 4:18 Awb is dan ook geen beschikking op aanvraag in de zin van artikel 4:17, lid 1, Awb, zodat een bestuursorgaan niet een dwangsom kan verbeuren wegens het niet tijdig nemen ervan.4
Opmerking verdient dat tegen het uitblijven van een dwangsombesluit beroep kan worden ingesteld op de voet van artikel 6:2, aanhef en letter b, Awb in samenhang gelezen met artikel 6:12 Awb.5
2.4.4 Gelet op hetgeen hiervoor in 2.4.3 is overwogen, is het hiervoor in 2.2.3 weergegeven oordeel van het Hof dat belanghebbende met de ingebrekestelling van 17 mei 2019 geen aanspraak kan maken op een tweede dwangsom, juist. De klachten falen in zoverre