Astone
Niet-doen aangifte / voeren boekhouding = fraude
In het bijzonder kunnen het uitblijven van een btw-aangifte en het niet-voeren van een boekhouding – die anders de toepassing van de btw en de controle daarop door de fiscus mogelijk zouden maken –, alsook het niet-registreren van de opgemaakte en betaalde facturen, beletten dat de belasting juist worden geheven, waardoor de goede werking van het gemeenschappelijke btw-stelsel in het gedrang komt. Derhalve staat het Unierecht er niet aan in de weg dat de lidstaten dergelijke verzuimen als belastingfraude beschouwen en in dergelijke gevallen recht op aftrek weigeren te verlenen (zie naar analogie arrest van 7 december 2010, R., C‑285/09, EU:C:2010:742, punten 48 en 49).
Wilmersdorf, C-108/20
Verplichting lidstaten om fraude te bestrijden
Proefschrift Tromp
Het HvJ gebruikt weliswaar het begrip fraude, maar definieert het niet nader. 50 Het HvJ geeft echter wel een indicatie welk gedrag het daaronder schaart. Dat het opzetten van een carrousel met computerartikelen waarbij één of meer deelnemers in de keten de verschuldigde btw niet op aangifte voldoen, door het HvJ als fraude wordt bestempeld, behoeft, meen ik, geen betoog. 51 Het HvJ ziet echter ook als fraude: het in aftrek brengen van btw op niet bestaande diensten52 , het bewust niet nakomen van formele verplichtingen om aan betaling van btw te ontsnappen 53 of het niet voeren van een boekhouding en het daardoor verbergen van leveringen en ontvangsten.54
Voetnoten
50 In het arrest HvJ 11 november 2021 C-281/20 (Ferimet) ECLI:EU:C:2021:910 punt 55 geeft het HvJ wel aan dat het bewust vermelden van een fictieve leverancier op de factuur door de afnemer van de goederen (self-billing) fraude oplevert en geen misbruik, omdat in een dergelijk geval niet aan de materiële voorwaarden voor de aftrek van btw wordt voldaan.
51 HvJ 18 december 2014 C-131/13 (Italmoda) ECLI:EU:C:2014:2455.
52 HvJ 3 september 2015 C-463/14 (Asparuhovo Lake Investment Company) ECLI:EU:C:2015:542. Overigens was fraude volgens het HvJ in deze zaak niet aangetoond.
53 HvJ 28 juli 2016 C-332/15 (Astone) ECLI:EU:C:2016:614.
54 HvJ 5 oktober 2016 C-576/15 (Maya Marinova) ECLI:EU:C:2016:640.
Conference Vienna 2023 - Input Statement Prof Roland Izmer
C-227/21, HA.EN
32. Het Hof heeft reeds geoordeeld dat, voor zover de belastingplichtige zijn aangifteverplichtingen inzake btw naar behoren is nagekomen, het enkele verzuim om de naar behoren aangegeven btw af te dragen geen btw-fraude kan vormen, ongeacht of een dergelijk verzuim al dan niet opzettelijk is (zie in die zin arrest van 2 mei 2018, Scialdone, C‑574/15, EU:C:2018:295, punten 38‑41).
C-227/21, HA.EN
37. In de punten 42 tot en met 45 van het arrest van 20 mei 2021, ALTI (C‑4/20, EU:C:2021:397), heeft het Hof in wezen voor recht verklaard dat de btw-richtlijn niet in de weg staat aan een nationale regeling volgens welke de medecontractant van een tot voldoening van de btw gehouden persoon – van wie is aangetoond dat hij wist of had moeten weten dat die belastingplichtige de belasting niet zou afdragen en die desondanks gebruik heeft gemaakt van zijn recht op aftrek van voorbelasting – wordt geacht hoofdelijk medeschuldenaar te zijn van de niet-voldane btw en van de verhogingen ervan.