Artikel 267 VWEU voorziet in een bevoegdheid van het Hof van Justitie tot beantwoording van onder meer vragen over de interpretatie en geldigheid van handelingen van de instellingen, de organen of de instanties van de Unie. Dergelijke vragen kunnen (soms: moeten) worden gesteld door een rechterlijke instantie van een van de lidstaten indien zij een beslissing op dat punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis.
Deze bevoegdheid van het Hof van Justitie geldt ook indien de desbetreffende bepalingen van het Unierecht niet rechtstreeks van toepassing zijn maar toepasselijk zijn gemaakt doordat het nationale recht naar de inhoud van die bepalingen verwijst (HvJ 18 oktober 1990, C-297/88 en C- 197/89, Dzodzi, ECLI:EU:C:1990:360, punten 36-39; HvJ 17 juli 1997, Leur-Bloem, C-28/95, ECLI:EU:C:1997:369, punt 34). Hetzelfde geldt indien het recht van de Unie toepasselijk is gemaakt door contractuele bepalingen (HvJ 25 juni 1992, C-88/91, Federconsorzi,ECLI:EU:C:1992:276, punt 8). Het kan gaan om een specifieke verwijzing, een bepaling die weliswaar strekt tot implementatie van EU-recht maar niet de beperking in werkingssfeer bevat die voortvloeit uit het geïmplementeerde EU-recht of om een algemene bepaling van nationaal recht die voorschrijft dat eigen onderdanen dezelfde rechten moeten worden toegekend als die een burger van een andere lidstaat in dezelfde omstandigheden aan het EU-recht zou ontlenen (HvJ 15 november 2016, C-268/15, Ullens de Schooten, ECLI:EU:C:2016:874). Ratio is dat de Europese Unie er belang bij heeft dat uit het Unierecht overgenomen bepalingen uniform worden uitgelegd teneinde uiteenlopende uitleggingen in de toekomst te vermijden.
In het verlengde van deze rechtspraak heeft het Hof van Justitie zich ook bevoegd geacht prejudiciële vragen te beantwoorden indien de feiten van het geschil weliswaar buiten de werking van het EU-recht vallen maar niet kan worden uitgesloten dat in andere lidstaten wonende burgers interesse zouden hebben gebruik te maken van marktvrijheden en de uitspraak van de nationale rechter dan voor hen betekenis zou kunnen hebben of dat deze betekenis ook in andere gevallen aan de orde is (HvJ 15 november 2016, C-268/15, Ullens de Schooten, ECLI:EU:C:2016:874, punten 50 en 51).
Voorwaarde voor deze uitzondering op de regel dat het Hof van Justitie niet bevoegd is prejudiciële vragen te beantwoorden in zaken waarvan de feiten buiten de werkingssfeer van de bepalingen van EU-recht vallen waarnaar in de vragen wordt verwezen, is dat die bepalingen rechtstreeks en onvoorwaardelijk toepasselijk zijn gemaakt (HvJ 21 december 2011, C-482/10, Cicala, ECLI:EU:C:2011:868, punt 19; recent: HvJ 13 november 2025, C-197/24, Sil’arsky, ECLI:EU:C:2015:876, punt 37).
Deze laatstgenoemde voorwaarde brengt mee dat de verwijzende rechter gebonden is aan de interpretatie die het Hof van Justitie geeft. Als uit het antwoord van het Hof van Justitie zou volgen dat het nationale recht in strijd is het verdragsrecht zal dat ook betekenis hebben voor de wettigheid van secundair Unierecht.
De verwijzende rechter moet in zo’n geval motiveren in welk opzicht in het bij hem aanhangige geschil sprake is van aanknoping bij de bepalingen van het Unierecht zodat beantwoording van de vraag noodzakelijk is voor de beslechting van het geschil ( HvJ 21 december 2021, C-38/21, C-47/21 en C-232/21, ECLI:EU:C:2023:1014, punt 207).