HR 13 juni 2025, nr. 23/04071, ecli:NL:HR:2025:903
5.2.2 Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel is van toepassing wanneer de inspecteur voornemens is een bezwarend besluit vast te stellen dat de belangen van degene tot wie dat besluit is gericht, aanmerkelijk raakt. Een naheffingsaanslag in de omzetbelasting is zo’n besluit. Het beginsel houdt in dat de inspecteur degene tot wie dat besluit is gericht, de gelegenheid moet bieden zijn standpunt naar behoren kenbaar te maken voordat dat besluit wordt genomen. Dit brengt mee dat de inspecteur die het voornemen heeft opgevat een bepaalde naheffingsaanslag in de omzetbelasting op te leggen, de belastingplichtige tijdig en expliciet, dat wil zeggen in niet mis te verstane bewoordingen, van de voorgenomen naheffingsaanslag op de hoogte moet stellen, onder voldoende nauwkeurige vermelding van de elementen die hij aan die naheffingsaanslag ten grondslag wil leggen. Daarbij moet de inspecteur de belastingplichtige expliciet en ook tijdig uitnodigen om zijn standpunten over de voorgenomen naheffingsaanslag kenbaar te maken. Het moet door deze mededelingen voor de belastingplichtige duidelijk zijn dat, wanneer hij geen gebruik maakt van de hem geboden gelegenheid om zijn standpunten kenbaar te maken, de inspecteur hem de voorgenomen naheffingsaanslag zal opleggen overeenkomstig de door hem genoemde elementen. De hiervoor bedoelde mededelingen kunnen niet alleen schriftelijk maar ook mondeling worden gedaan.3
5.2.3 De hiervoor in 5.2.2 bedoelde mededelingen moeten in alle gevallen worden gedaan, ook indien het voornemen tot naheffing ontstaat tijdens een controle die de inspecteur verricht, de belastingplichtige de redenen kent waarom de controle is ingesteld, en die belastingplichtige op de hoogte is van de feiten die tot de voorgenomen naheffingsaanslag leiden.4 Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel vereist niet dat een onderzoek naar de juistheid van belastingaangiften is afgerond voordat de inspecteur de belastingplichtige op de hoogte stelt van een of meer voorgenomen naheffingsaanslag(en) onder vermelding van de elementen die hij aan die naheffingsaanslag(en) ten grondslag wil leggen. Dat beginsel is juist erop gericht om de elementen waarop een bezwarend besluit zal zijn gebaseerd, zorgvuldig vast te stellen. Daarvoor kan van belang zijn dat de inbreng van de belastingplichtige bij dat onderzoek wordt betrokken voordat het wordt afgerond.5 Dat biedt de belastingplichtige de gelegenheid voor het aanvoeren van bepaalde feiten die de inspecteur niet aan de voorgenomen naheffingsaanslag ten grondslag heeft gelegd.
5.2.4 Indien de belastingplichtige stelt dat de inspecteur het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel heeft geschonden, rust op de inspecteur de last feiten te stellen en bij betwisting te bewijzen waaruit volgt dat hij bij zijn besluitvorming dat beginsel heeft gerespecteerd. In geval van geschil daarover ligt het daarom op de weg van de inspecteur te bewijzen dat en op welk moment hij de belastingplichtige de hiervoor in 5.2.2 bedoelde mededelingen heeft gedaan, nadat hij het voornemen heeft opgevat een bepaalde naheffingsaanslag in de omzetbelasting op te leggen.6
5.3.1 Zoals hiervoor in 5.2.3 en 5.2.4 is overwogen, rust op de Inspecteur de last feiten te bewijzen waaruit volgt dat en op welk moment hij belanghebbende de hiervoor in 5.2.2 bedoelde mededelingen, mondeling dan wel schriftelijk, heeft gedaan, nadat hij het voornemen had opgevat een bepaalde naheffingsaanslag in de omzetbelasting op te leggen.
In een geval als het onderhavige waarin de inspecteur stelt dat hij nog voordat het boekenonderzoek was afgerond, het voornemen tot het opleggen van de naheffingsaanslag heeft opgevat en dat hij bij zijn besluitvorming het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel heeft gerespecteerd, moet bij de beoordeling van het bewijs dat de inspecteur daartoe heeft aangevoerd, het volgende in aanmerking worden genomen.
5.3.2 Van een boekenonderzoek maakt in de regel deel uit het vragen en verstrekken van (nadere) informatie en het uitwisselen van (nadere) standpunten tussen de controlerend ambtenaar en de belastingplichtige over de vaststelling en waardering van feiten en over mogelijke gronden voor naheffing. Juist wanneer de inspecteur vóór het afronden van een dergelijk onderzoek besluit dat hij over voldoende informatie beschikt om de belastingplichtige in concreto een bepaalde belastingaanslag op te leggen, komt het erop aan dat hij – ter wille van het respecteren van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel – die belastingplichtige, in niet mis te verstane bewoordingen, duidelijk maakt hoe hoog die naheffingsaanslag zal zijn en dat hij voldoende nauwkeurig de elementen vermeldt die hij aan die naheffingsaanslag ten grondslag wil leggen. Alleen dan mag worden aangenomen dat de belastingplichtige weet dat de inspecteur nog voordat het boekenonderzoek zal worden afgerond, hem een naheffingsaanslag zal opleggen en ook dat hem op dat moment de laatste gelegenheid wordt geboden om bijvoorbeeld bepaalde feiten aan te voeren die de inspecteur bij zijn voornemen tot het opleggen van de naheffingsaanslag niet in aanmerking heeft genomen, argumenten aan te voeren ter weerlegging van de door de inspecteur aangevoerde gronden om na te heffen, de inspecteur te wijzen op (kennelijke) vergissingen of individuele omstandigheden aan te voeren.
5.4 Uit de hiervoor in 3.5 tot en met 3.13 weergegeven feiten en omstandigheden volgt – zoals het Hof heeft geoordeeld – dat de Inspecteur in januari 2006 aan belanghebbende kenbaar heeft gemaakt dat hij op basis van het tot dan toe verrichte onderzoek een voornemen tot het opleggen van een naheffingsaanslag had opgevat en ook welke standpunten hij meende daaraan ten grondslag te kunnen leggen. Het middel voert echter terecht aan dat deze feiten en omstandigheden, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet de conclusie kunnen dragen dat de Inspecteur belanghebbende op enig moment voorafgaand aan de brief van 22 februari 2006, een definitief voornemen tot het opleggen van een bepaalde naheffingsaanslag, dat wil zeggen een naheffingsaanslag tot een concreet belastingbedrag, heeft voorgehouden onder nauwkeurige vermelding van de definitieve elementen die hij aan die naheffingsaanslag ten grondslag wilde leggen. Dit geldt temeer omdat belanghebbende in de hiervoor in 3.9 bedoelde brief van 9 februari 2006 de Inspecteur verzoekt snel een definitief standpunt in te nemen en dit verzoek van belanghebbende – volgens de brief van 22 februari 2006 – voor de Inspecteur de aanleiding was voor die brief, waarin hij duidelijk maakt dat hij een bepaalde naheffingsaanslag in de omzetbelasting zal gaan opleggen op de in die brief omschreven gronden, overeenkomstig de daarin vermelde elementen en naar het in die brief vermelde bedrag. In de brief van 22 februari 2006 wordt belanghebbende, zo waren partijen voor het Hof het ook eens, niet in niet mis te verstane bewoordingen uitgenodigd haar zienswijze op het voornemen tot deze concrete naheffingsaanslag te geven.
5.5 Aan hetgeen hiervoor in 5.4 is overwogen, kan niet afdoen dat belanghebbende tijdens het boekenonderzoek ermee heeft ingestemd dat over de periode 2001 tot en met 2005 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting wordt opgelegd, dat zij daarvoor de benodigde, voor de Inspecteur ontbrekende cijfers heeft aangeleverd, en dat de naheffingsaanslag uiteindelijk, voor zover deze zag op de ontbrekende gegevens, conform deze cijfermatige gegevens is opgelegd. Die omstandigheden laten namelijk onverlet dat ook dan belanghebbende de gelegenheid moet worden geboden te reageren op een definitief standpunt van de Inspecteur of op een definitief element van de naheffingsaanslag, voor zover dat standpunt of dat element was gegrond op feiten en omstandigheden die de Inspecteur tijdens het boekenonderzoek heeft bevonden en aan de naheffingsaanslag ten gronde wilde leggen.
5.6 Gelet op hetgeen hiervoor in 5.4 en 5.5 is overwogen, slaagt middel 1 in zoverre.
5.7.1 Gelet op hetgeen hiervoor in 5.6 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Middel 1 voor het overige en de middelen 2, 3 en 4 behoeven geen behandeling. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
5.7.2 Voor het antwoord op de vraag of de Inspecteur voorafgaand aan het schrijven van de brief van 22 februari 2006 de definitieve gronden voor naheffing en de definitieve elementen die hij aan die naheffingsaanslag ten grondslag wilde leggen, voldoende nauwkeurig aan belanghebbende heeft voorgehouden en daarbij belanghebbende, alvorens tot naheffing over te gaan, expliciet, dat wil zeggen in niet mis te verstane bewoordingen, heeft uitgenodigd zich daarover uit te laten, blijkt uit de stukken van het geding niet dat de Inspecteur in deze procedure andere relevante feiten of omstandigheden heeft gesteld dan die het Hof in aanmerking heeft genomen bij het vaststellen van de hiervoor in 3.5 tot en met 3.13 weergegeven feiten. De Inspecteur heeft het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel geschonden. Zoals hiervoor in 4.1 is weergegeven, is voor dat geval tussen partijen niet in geschil dat het besluitvormingsproces van de Inspecteur een andere afloop had kunnen hebben en dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd. Dat brengt mee dat ook de beschikking inzake heffingsrente moet worden vernietigd.