Conclusie van advocaat-generaal J. Kokott van 27 maart 2025, Gevoegde zaken C‑92/24–C‑94/24, Banca Mediolanum SpA e.a.
58. Interessant genoeg leek in Italië de opvatting te bestaan dat de IRAP een tweede btw is, zoals uit de zaak Banca popolare di Cremona is gebleken.(23) Het Hof heeft deze opvatting in die zaak afgewezen omdat de IRAP een belasting is op de nettowaarde van de productie van een bedrijf, die niet bedoeld is om te worden doorberekend aan de eindgebruiker. Het enkele feit dat een Italiaanse rechter in 2003 aan het Hof heeft gevraagd of de IRAP als een tweede btw in strijd is met (het huidige) artikel 401 van de btw-richtlijn, en een andere Italiaanse rechter nu vraagt of belastingheffing door middel van de IRAP in strijd is met de moeder-dochterrichtlijn, laat al duidelijk zien dat de IRAP belastingrechtelijk moeilijk lijkt te kunnen worden ingedeeld.