HvJ 10 januari 2019, nr. C-410/17, A Oy, ECLI:EU:C:2019:12
40 De omstandigheid dat de hoeveelheid uit het sloopafval terug te winnen metaalschroot en de waarde daarvan niet zijn overeengekomen in de sloopovereenkomst, laat die conclusie onverlet.
41 Uit de rechtspraak van het Hof volgt immers dat eventuele technische moeilijkheden bij de vaststelling van de hoogte van de tegenprestatie op zich geen reden zijn om aan te nemen dat er geen tegenprestatie is (zie naar analogie arrest van 14 juli 1998, First National Bank of Chicago, C‑172/96, EU:C:1998:354, punt 31).
42 Hoe dan ook moet erop worden gewezen dat het in het in punt 39 van het onderhavige arrest genoemde geval mogelijk is de waarde van de levering van het herbruikbare metaalschroot te bepalen. Rekening houdend met de in punt 38 van dit arrest aangehaalde rechtspraak moet die waarde worden geacht gelijk te zijn aan het bedrag waarmee de dienstverrichter de prijs voor zijn sloopwerkzaamheden vermindert.
42 It is clear from the case-law of the Court that any technical difficulties which exist in determining the amount of the consideration cannot by themselves justify the conclusion that no consideration exists (see, by analogy, judgment of 14 July 1998, First National Bank of Chicago, C‑172/96, EU:C:1998:354, paragraph 31).
43 Aan de in punt 39 van dit arrest getrokken conclusie wordt evenmin afgedaan door de omstandigheid dat de ontvanger van de sloopdienst het precieze bedrag van de waarde van het herbruikbare metaalschroot, zoals geëvalueerd door de dienstverrichter, niet kent (zie naar analogie arrest van 14 juli 1998, First National Bank of Chicago, C‑172/96, EU:C:1998:354, punt 49).