- [[Genus#Aantekeningen|Aantekeningen]]
Vennootschap (v)
Genus Genus en geslacht Het onderscheid tussen genus (of woordgeslacht) en geslacht (of sekse) is essentieel voor het Nederlandse genussysteem. Het ligt namelijk ten grondslag aan de verschillende manieren waarop persoonsnamen en zaaknamen behandeld worden. Genus is een grammaticaal, taalkundig kenmerk van woorden. Er zijn drie mogelijkheden: - neutraal genus bij het-woorden als boek; - masculien genus bij de-woorden als stoel; - feminien genus bij de-woorden als waarheid. Het onderscheid tussen de laatste twee categorieën heeft te maken met de voornaamwoorden waarmee naar deze woorden wordt verwezen: de stoel, hij staat in de keuken tegenover de waarheid, zij is niet te achterhalen. Naar neutrale woorden wordt verwezen met het: het boek, het ligt op de tafel. Geslacht is een biologisch kenmerk van mensen en (sommige) dieren. De factor geslacht speelt echter ook een rol bij het gedrag van woorden. Met name bij de persoonsnamen wordt een onderscheid gemaakt tussen: - woorden die uitsluitend verwijzen naar mannen, zoals oom, joch; - woorden die uitsluitend verwijzen naar vrouwen, bijvoorbeeld tante, meisje; - zogenoemde gemeenkunnige of gemeenslachtige woorden: woorden die zowel vrouwen als mannen kunnen betreffen, zoals arts, blinde, kind. De keuze van hij of zij als verwijzend woord hangt samen met deze driedeling. In de eerste twee gevallen is respectievelijk uitsluitend hij of zij mogelijk, terwijl in de derde categorie naargelang de omstandigheden zowel hij als zij mogelijk is. Zowel ten aanzien van de factor genus als de factor geslacht is een verschuiving in het taalgebruik waar te nemen. Typerend voor het genussysteem van het Nederlands is een historische tendens tot masculinisering: steeds meer woorden die oorspronkelijk zij-woorden waren, worden hij-woorden. Typerend voor de rol van het geslacht bij het gedrag van de Nederlandse woorden is een maatschappelijke ontwikkeling waarbij we de gelijkwaardigheid van man en vrouw steeds meer in de taal tot uitdrukking willen brengen. Op beide tendensen gaan we hierna dieper in. Masculinisering Al sinds eeuwen is in het Nederlands een masculiniseringstendens zichtbaar. Woorden die oorspronkelijk zij-woorden waren, worden hij-woorden. De ontwikkeling naar meer hij-woorden is nog niet voltooid, en dat betekent dat we voor het hedendaagse Nederlands rekening moeten houden met een categorie van woorden die zowel mannelijk als vrouwelijk zijn. Binnen de groep van de-woorden onderscheiden we: - masculien genus bij woorden als stoel, die van oudsher masculien zijn, of waarbij het feminiene genus ondertussen helemaal verdwenen is; - feminien genus bij woorden als waarheid, die zich sterk verzetten tegen de tendens tot masculinisering; het gaat daarbij hoofdzakelijk om verzamelnamen en woorden met een abstracte betekenis die eindigen op suffixen als -ade, -de, -heid, -ica, -ide, -ie, -iek, -ij, -ine, -ing, -iteit, -itis, -nis, -ode, -se, -st, -te, -theek, -tuur, -ude; - variabel genus met een tendens tot masculinisering, bij woorden als tafel, zon, kamer, taal. De neiging om de laatstgenoemde groep als hij-woorden te behandelen, is niet bij alle taalgebruikers even sterk. In de dialecten is de masculinisering minder ver doorgedrongen dan in de standaardtaal. En in het noordelijke deel van het taalgebied is die tendens veel sterker dan in het zuiden (al is hij ook daar niet afwezig). Dat betekent dat taalgebruikers zich met betrekking tot deze categorie op hun eigen taalgevoel kunnen verlaten. Het woordenboek signaleert alleen in welke van de drie grote groepen een woord thuishoort. Overigens is de tendens tot masculinisering ook bij de tweede, feminiene groep aanwezig (zeker in het noorden van het taalgebied), zij het minder sterk dan bij de derde groep. Emancipatie Bij het gebruik van woorden waarmee zowel naar mannen als vrouwen verwezen kan worden (gemeenkunnige woorden), moet een onderscheid gemaakt worden tussen twee gebruiksomstandigheden: - Is de sekse van de bedoelde persoon van belang en wil men expliciet uitdrukken dat een man of een vrouw bedoeld wordt, dan gebruikt men hij of zij. - In omstandigheden waarin over personen in het algemeen gesproken wordt, is het niet noodzakelijk specifiek aan te geven of het om een man dan wel een vrouw gaat. Men spreekt dan van ongemarkeerd of sekseneutraal gebruik. Bij het ongemarkeerde gebruik van deze woorden wordt traditioneel de hij-vorm gebruikt. In bijvoorbeeld De arts moet ervoor zorgen dat hij alle patiënten een passende behandeling voorschrijft kan, ondanks het gebruik van hij, ook een vrouwelijke arts bedoeld worden. Maar bij ongemarkeerd gebruik worden steeds vaker de dubbele verwijzingen hij/zij en hij of zij gebruikt: wanneer een geïnteresseerde zich wil inschrijven, dient hij of zij een formulier in te vullen. Bijzondere gevallen Behalve het onderscheid tussen genus en geslacht en de verschillende behandeling van persoonsnamen en zaaknamen, zijn voor een goed begrip van het Nederlandse genussysteem nog twee bijzondere gevallen van belang: gecombineerde genera en diernamen. gecombineerde genera Sommige zelfstandige naamwoorden hebben meer dan één genus. Dat kan te maken hebben met: - vrije variatie, zoals bij de woorden aanrecht, commentaar of affiche, die door dezelfde sprekers als het-woord en als de-woord kunnen worden gebruikt; - variatie tussen groepen of gebieden binnen de taalgemeenschap, zoals bij deken, dat in het Belgische Nederlands in de betekenis ‘rechthoekig kleed tot beschutting tegen de koude, m.n. zoals op een bed gebruikt’ een het-woord is, terwijl het in Nederland in die betekenis een de-woord is; - betekenisverschil, zoals bij het woord idee, dat meestal als het-woord optreedt, maar dat met een filosofische betekenis ook wel als de-woord wordt aangetroffen. In het woordenboek is het relevante betekenisverschil soms impliciet: een adverteerder is ‘een persoon die of een bedrijf dat advertenties plaatst’, maar de mogelijkheden voor de voornaamwoordelijke verwijzing zijn verschillend naargelang de persoon of de zaak bedoeld is. diernamen Zoals bij de persoonsnamen speelt ook bij diernamen het biologische geslacht een rol, zij het op een minder dwingende manier dan bij de persoonsaanduidende woorden. Diernamen sluiten in essentie aan bij het systeem dat geldt voor de zaaknamen: ze hebben een genus, en dat genus is onderworpen aan de masculiniseringstendens. Maar daarnaast kunnen dieren soms ook volgens geslacht behandeld worden. Het genus van de diernamen wordt gebruikt bij diersoorten die geen geslachtsonderscheid kennen, en bij diersoorten die wel een onderscheid tussen mannetjes- en vrouwtjesdieren kennen, in contexten waarin dat sekseonderscheid niet relevant is (zoals wanneer een wolf hij genoemd wordt, ongeacht of het om een mannetje of een vrouwtje gaat). Het biologische geslacht speelt dus een rol bij diersoorten die een geslachtsonderscheid kennen, wanneer het in de context specifiek van belang is of het om een mannetje of een vrouwtje gaat, en bij diernamen als reu en teef, die uitsluitend een mannetjes- of vrouwtjesdier kunnen benoemen. Een specifiek geval binnen deze groep zijn diernamen als wijfjesolifant en moervos, die een vrouwtjesdier noemen en die dus volgens de seksegebaseerde regels behandeld kunnen worden, maar die tegelijkertijd ook het masculiene genus van hun rechterdeel olifant en vos ‘erven’: de moervos, hij … is dus niet uitgesloten, al zal in dergelijke gevallen het biologische geslacht meestal domineren. Labeling De hoofdcategorieën van het genussysteem zijn in dit woordenboek met de volgende codering terug te vinden: het wordt gebruikt - bij alle het-woorden, zowel persoonsnamen als zaaknamen; de (m.) wordt gebruikt - bij masculiene zaaknamen van het type stoel; - bij persoonsnamen die uitsluitend verwijzen naar mannen, zoals oom; - bij gemeenkunnige persoonsnamen die een beroep, functie of status aanduiden, zoals dokter; - bij diernamen wanneer de naam uitsluitend verwijst naar mannelijke dieren, of wanneer de naam zich als masculien woord gedraagt in contexten waarin het geslachtsonderscheid niet relevant is; de (v.) wordt gebruikt - bij feminiene zaaknamen van het type waarheid; - bij persoonsnamen die uitsluitend verwijzen naar vrouwen, zoals tante; - bij diernamen, wanneer de naam uitsluitend verwijst naar vrouwelijke dieren, of wanneer de naam zich als feminien woord gedraagt in contexten waarin het geslachtsonderscheid niet relevant is; de wordt gebruikt - bij zaaknamen met een variabel genus, van het type tafel; - bij diernamen wanneer de naam zich gedraagt als een woord met variabel genus - bij gemeenkunnige persoonsnamen, voor zover ze niet de (m.) gekregen hebben. Het gaat bij deze laatste groep vooral om gemeenkunnige woorden als blinde en andersdenkende, die niet een beroep, status of functie benoemen, en die geen specifiek vrouwelijke pendant hebben.