Table of Contents

Ten onrechte in rekening gebrachte btw


1. Aantekeningen


1.1 Aansprakelijkheid o.g.v. 203 Btw-RL wanneer je zelf van standpunt verandert?


Samenloop nummer-icv en 203 btw


2. Regelgeving


3. Jurisprudentie

3.1 Overzicht jurisprudentie

Zie ook:


Dutch Supreme Court 4 March 2016, 14/03556, ECLI:NL:HR:2016:356

2.3.2. De middelen falen in zoverre. Op grond van artikel 37 van de Wet, welke bepaling moet worden uitgelegd in het licht van artikel 203 van BTW-richtlijn 2006, is de opsteller van een factuur de daarop vermelde btw verschuldigd, zelfs wanneer een belastbare handeling ontbreekt (zie HvJ 13 maart 2014, FIRIN OOD, C-107/13, ECLI:EU:C:2014:151, V-N 2014/16.21, punt 54, en HvJ 11 april 2013, Rusedespred OOD, C-138/12, ECLI:EU:C:2013:233, V-N 2013/20.15, punt 23, en de aldaar aangehaalde rechtspraak). Buiten redelijke twijfel moet in dit verband onder ‘factuur’ worden verstaan elk bescheid waarin van een ander betaling wordt gevorderd. Wanneer een belastingplichtige met een dergelijke factuur ten onrechte mede of uitsluitend de betaling van een als ‘btw’ aangeduid bedrag opeist van een ander, niet zijnde een particulier-eindgebruiker (vgl. HR 14 december 2007, nr. 37748, ECLI:NL:HR:2007:AI0669, BNB 2008/123), wordt hij dit bedrag op de voet van artikel 37 van de Wet verschuldigd. Anders dan de middelen betogen doet, gelet op de hiervoor vermelde jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, aan deze verschuldigdheid niet af dat de gevorderde betaling niet samenhangt met de ondernemingsactiviteiten van de desbetreffende belastingplichtige.


2.4.3. Voor zover de middelen tot uitgangspunt nemen dat bij heffing van omzetbelasting op grond van artikel 37 van de Wet sprake is van een juridisch en feitelijk vergelijkbare situatie als waarop de hiervoor in 2.4.2 bedoelde richtlijn- en wetsbepaling betrekking hebben, falen de middelen eveneens. Het is vaste rechtspraak van het Hof van Justitie (zie het hiervoor in 2.3.2 vermelde arrest Rusedespred OOD, alsmede de in dat arrest aangehaalde jurisprudentie) dat aan de heffing van btw op grond van artikel 203 van BTW-richtlijn 2006 ten grondslag ligt dat op een factuur vermelde btw is verschuldigd, ook indien deze bij vergissing is vermeld en ongeacht of btw moet worden voldaan op grond van een aan btw onderworpen handeling. Dit een en ander met het oog op het uitschakelen van het gevaar dat belastinginkomsten verloren gaan doordat de ontvanger van de factuur de btw – hoezeer ook ten onrechte – in aftrek brengt, aldus het Hof van Justitie. Hoewel het recht op aftrek niet kan worden uitgeoefend voor btw die ingevolge artikel 203 van deze richtlijn uitsluitend is verschuldigd op grond van de vermelding ervan op de factuur (zie HvJ 13 december 1989, Genius Holding B.V., C-342/87, ECLI:EU:C:1989:635, BNB 1990/237), is het gevaar voor verlies van belastinginkomsten niet uitgeschakeld zolang de ontvanger van een factuur waarop ten onrechte btw is vermeld, deze niettemin nog kan gebruiken om die btw in aftrek te brengen. Met een dergelijke doelstelling is niet verenigbaar de opvatting dat de belastingdienst bij toepassing van artikel 37 van de Wet niet meer omzetbelasting mag innen dan de ondernemer ter zake van het uitreiken van de desbetreffende factuur van de ontvanger van de factuur aan omzetbelasting heeft ontvangen.


4. Literatuur