Table of Contents
Bewijslastverdeling aftrekrecht
1. Aantekeningen
Op grond van artikel 15, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet brengt een ondernemer onder de in dat artikel vermelde voorwaarden in aftrek de omzetbelasting die door andere ondernemers ter zake van door hen aan die ondernemer verrichte leveringen en verleende diensten in rekening is gebracht, voor zover de goederen en de diensten door de ondernemer worden gebruikt voor belaste handelingen. Op degene, die vorenbedoeld recht op aftrek wil uitoefenen, rust in beginsel de last te bewijzen dat aan alle voorwaarden voor het uitoefenen van het recht op aftrek is voldaan, waaronder de voorwaarde dat de in rekening gebrachte kosten rechtstreeks en onmiddellijk verband houden met het jegens een ander verrichten van een prestatie onder bezwarende titel die niet is vrijgesteld van omzetbelasting (HR 29 september 2017, nr. 15/04099, ECLI:NL:HR:2017:2461).
2. Regelgeving
3. Jurisprudentie
3.1 Bewijslastverdeling aftrekrecht: uitgangspunt = factuur
- HR 29 september 2017, nr. 15/04099, ECLI:NL:HR:2017:2461
2.5.2 Op grond van artikel 15, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet brengt een ondernemer onder de in dat artikel vermelde voorwaarden in aftrek de omzetbelasting die door andere ondernemers ter zake van door hen aan die ondernemer verrichte leveringen en verleende diensten in rekening is gebracht, voor zover de goederen en de diensten door de ondernemer worden gebruikt voor belaste handelingen. Op degene, die vorenbedoeld recht op aftrek wil uitoefenen, rust in beginsel de last te bewijzen dat aan alle voorwaarden voor het uitoefenen van het recht op aftrek is voldaan, waaronder de voorwaarde dat de in rekening gebrachte kosten rechtstreeks en onmiddellijk verband houden met het jegens een ander verrichten van een prestatie onder bezwarende titel die niet is vrijgesteld van omzetbelasting.
2.5.3. Bij de beoordeling of in het kader van het uitoefenen van het recht op aftrek aannemelijk is gemaakt dat en in hoeverre de desbetreffende goederen of diensten zijn gebruikt voor belaste handelingen, volstaat dus niet de vaststelling dat zij zijn gebruikt voor de levering van een goed of voor het verrichten van een dienst onder bezwarende titel, maar is tevens van belang dat die levering of die dienst niet van omzetbelasting is vrijgesteld. In een dergelijk geval komt geen betekenis toe aan de bewijsregel, neergelegd in het arrest BNB 2002/141, rechtsoverweging 3.2.2, en het arrest BNB 2014/160, rechtsoverweging 3.3.2, dat bij betalingen tussen ondernemers als regel ervan mag worden uitgegaan dat die betalingen de tegenwaarde voor een prestatie vormen.
2.5.4. Het Hof heeft uit het arrest BNB 1989/213 en het arrest Syndicat des producteurs indépendants afgeleid dat doorbelasting van kosten in beginsel een economische activiteit vormt die aan de heffing van omzetbelasting is onderworpen. Deze opvatting kan echter niet aan deze arresten worden ontleend (vgl. de onderdelen 4.17 en 4.18 van de conclusie van de Advocaat-Generaal).
Voor de vaststelling dat sprake is van een belastbare prestatie is vereist dat een handeling onder bezwarende titel wordt verricht.
Daarvoor is niet alleen nodig dat een betaling wordt gedaan, maar ook dat tegenover deze betaling een handelen (of een nalaten) als ondernemer kan worden bepaald.
Met de vaststelling dat belanghebbende met [I] een rechtsbetrekking is aangegaan ingevolge welke kosten aan [I] zijn doorbelast en met het daarop gegronde oordeel dat daarom sprake is van een handeling onder bezwarende titel, heeft het Hof – naar middel I terecht betoogt - het voorgaande miskend. De last te bewijzen dat sprake is van een zodanig handelen of nalaten, rust op degene die terzake aanspraak maakt op aftrek van omzetbelasting. Middel I slaagt derhalve.
- Op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 kan een ondernemer omzetbelasting in aftrek brengen die door andere ondernemers aan hem in rekening is gebracht vanwege aan hem verrichte prestaties indien en voor zover sprake is van gebruik voor belaste prestaties. Op degene die het recht op aftrek wil uitoefenen, rust in beginsel de last te bewijzen dat aan alle voorwaarden voor het uitoefenen van het recht op aftrek is voldaan (vgl. HR 29 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2461 ). Het is dus aan degene die het recht op aftrek wil uitoefenen om, gelet op de betwisting door de belastingdienst, aannemelijk te maken dat sprake is van leveringen van goederen door een ondernemer aan degene die het recht op aftrek wil uitoefenen en dat laatstgenoemde deze goederen heeft gebruikt voor de eigen belaste handelingen. Daarbij kan degene die het recht op aftrek wil uitoefenen kan volstaan met aannemelijk maken dat aan de materiële voorwaarden voor het uitoefenen van het recht op aftrek is voldaan. Zij kan in beginsel volstaan met het overleggen van facturen en daarna is het aan de belastingdienst om twijfel te zaaien over de juistheid van de facturen (vgl. Gerechtshof Den Haag 28 september 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2559).
