aftrek:bijkomstige_handelingen

Bijkomstige handelingen

1. Aantekeningen

  • HvJ EU 8 juli 2021, C-695/19 (Rádio Popular), ECLI:EU:C:2021:549, r.o. 47
    Het HvJ EU heeft overigens duidelijk gemaakt dat het begrip ‘financiële handelingen’ niet zo ruim mag worden geïnterpreteerd dat het ook handelingen ter zake van verzekeringen zou omvatten

2. Regelgeving


3. Jurisprudentie

  • 2023 09 21 - Hof Amsterdam - 22-322-323 - Notaris derdenrekening rente verlengstuk bijkomstige fin handelingen - ECLI_NL_GHAMS_2023_2324
    15. In het arrest van 11 juli 1996, Régie Dauphinoise, C-306/94, ECLI:EU:C:1996:290 heeft het HvJ in punt 21 overwogen dat de berekening van de aftrek zou worden vervalst als daarbij rekening moest worden gehouden met alle opbrengsten van financiële handelingen van een belastingplichtige die met een belastbare activiteit verband houden, zelfs wanneer de verkrijging van die opbrengsten geen of slechts een zeer beperkt gebruik impliceert van door de belastingplichtige ingekochte goederen en diensten waarvoor btw is verschuldigd. Uit punt 22 van hetzelfde arrest volgt dat handelingen die een rechtstreeks, duurzaam en noodzakelijk verlengstuk van een belastbare activiteit betreffen, echter hoe dan ook niet als bijkomstige financiële handelingen kunnen worden aangemerkt in de zin van (thans) artikel 174, tweede lid, van de Btw-richtlijn. Dit laatste aspect komt niet meer terug in het arrest van het HvJ van 29 april 2004, EDM, C-77/01, ECLI:EU:C:2004:243 (zie punt 69). De rechtbank acht dat echter onvoldoende om te veronderstellen dat het HvJ is teruggekomen op zijn arrest in de zaak Régie Dauphinoise en dat slechts nog van belang is of de verkrijging van ‘financiële opbrengsten’ geen of hooguit een zeer beperkt gebruik impliceert van ingekochte goederen en diensten waarvoor btw is verschuldigd.
    5.8. Belanghebbende doet subsidiair een beroep op art. 174, lid 2, onderdeel b, van de Btw-richtlijn (zie 5.5). Ook deze stelling faalt. De rechtbank oordeelt in r.o. 15 van haar uitspraak terecht en op goede gronden dat verlengstuk-inkomsten ‘hoe dan ook’ nooit als bijkomstige financiële handelingen kunnen worden aangemerkt in de zin van art. 174, lid 2, onder b van de Btw-richtlijn.

    Dat dit uitgangspunt zou zijn achterhaald, zoals belanghebbende aanvoert, volgt het Hof niet. In het NCC-arrest van 29 oktober 2009 (zaak C-174/08, NCC Construction Danmark, r.o. 31) en het Mercedes Benz Italia arrest van 14 december 2016 (zaak C-378/15, Mercedes Benz Italia, r.o. 13), welke arresten beide van later datum zijn, heeft het HvJ, de verlengstuk gedachte zoals verwoord in het arrest ‘Régie Dauphinoise’, bevestigd. In het NCC-arrest overweegt het HvJ:
    \\“31. In dit verband volgt uit de op deze doelstelling gebaseerde rechtspraak van het Hof, dat een economische activiteit niet kan worden aangemerkt als “bijkomstig”(…) , wanneer zij het rechtstreekse, duurzame en noodzakelijke verlengstuk vormt van de belastbare activiteit van de onderneming (…) of (nadruk: Hof) wanneer zij een aanmerkelijk gebruik van de goederen of diensten waarvoor btw verschuldigd is, impliceert (arrest van 29 april 2004, EDM, C‑77/01, (…)”

    Uit het gebruik van het woord ‘of’ volgt dat als sprake is van verlengstuk-inkomsten, de economische activiteit hoe dan ook niet kan worden aangemerkt als bijkomstig.

4. Literatuur

  • S.B. Cornielje 1 en W.J.C.M. Gelderblom, Concernfinanciering en bijkomstige financiële handelingen in de btw, TFO 2023/188.3

aftrek/bijkomstige_handelingen.txt · Last modified: by avdoesum