Table of Contents
Vooruitbetalingen
1. Aantekeningen
Beste mensen,
Ik heb na de reactie van Jeroen geen vervolg meer gezien op dit onderwerp.
Het is een merkwaardige wijziging, waarvan ik me afvraag of die werkelijk zo is bedoeld. Dit neemt niet weg dat er volgens mij wel degelijk een verandering is opgetreden, zoals Joost al heeft geconstateerd.
Ik vraag me ook af of art. 167 de oplossing voor het probleem is. Art. 167 zegt immers iets over het tijdstip waarop het recht op aftrek ontstaat. Art. 168 bepaalt of er een recht op aftrek ontstaat. Art. 167 kan volgens mij dan ook geen soelaas bieden. Het was mijns inziens overigens logischer geweest indien men de volgorde van de bepalingen 167 en 168 zou hebben omgedraaid (onder aanpassing van de nummering uiteraard!).
Zojuist heb ik hierover met Herman overlegd. Volgens ons is er wel degelijk een wijziging opgetreden, al is niet in te schatten wat de waarde van punt 3 van de considerans is (er zijn in principe geen materiele wijzigingen beoogd). Niet uit te sluiten is dat vroeger of later een inspecteur hier een punt van gaat maken.
Hartelijke groet,
Ad
Goeie vraag…!
Het lijkt me dat je, op basis van artikel 167, nog steeds recht hebt op aftrek van “vooruitbetaalde btw” voor (per definitie) toekomstige prestaties, aangezien in dit artikel staat dat het recht op aftrek onstaat op het tijdstip waarop de aftrekbare belasting verschuldigd wordt. De btw wordt immers verschuldigd door de gefactureerde vooruitbetaling (Artikel 65: Indien vooruitbetalingen worden gedaan alvorens de goederen zijn geleverd of de diensten zijn verricht, wordt de belasting verschuldigd op het tijdstip van ontvangst van de vooruitbetalingen, ten belope van het ontvangen bedrag).
Aan de andere kant: 168(a) lijkt dan inderdaad deze “aftrekbare belasting” te beperken tot de btw op diensten die een andere belastingplichtige heeft verricht. Wellicht helpt dan een beroep op de mededeling van de Commissie dat met de herschikking naar 2006/112 geen materiële wijzigingen zijn beoogd (of althans niet in deze artikelen).
Artikel 167
Het recht op aftrek ontstaat op het tijdstip waarop de aftrekbare belasting verschuldigd wordt.
Artikel 168
Voor zover de goederen en diensten worden gebruikt voor de belaste handelingen van een belastingplichtige, is deze gerechtigd in de lidstaat waar hij deze handelingen verricht, van het door hem verschuldigde belastingbedrag de volgende bedragen af te trekken: a) de BTW die in die lidstaat verschuldigd of voldaan is voor de goederenleveringen of de diensten die een andere belastingplichtige voor hem heeft verricht
Herman, Ad?
Heren,
Ik heb een vraag / opmerking met betrekking tot de 'nieuwe' zesde richtlijn. Meer specifiek over het recht van aftrek van btw mbt vooruitbetalingen.
In artikle 17 lid 2 sub a van de 'oude' zesde richtlijn wordt gesproken over: “.. verrichte of te verrichten diensten:”. In artikle 168 wordt echter enkel gesproken over de btw die in die lidstaat verschuldigd of voldaan is voor goederenleveringen of de diensten die een andere belastingplichtige voor hem heeft verricht.
In het 'nieuwe' artikel wordt dus niet gesproken over “te verrichten diensten”.
Betekent dit dat obv de 'nieuwe' zesde richtlijn tekst geen recht op aftrek van btw bestaat op het moment van vooruitbetaling van de vergoeding voor nog te verrichten diensten?
gr Joost
