Site Tools


beginselen:economische_realiteit

Economische realiteit

1. Aantekeningen

  • 3 juni 2025 - Verzameling aantekeningen Economische realiteit tbv EC Tax Review
    Re: UP Caffe - ‘economische feiten’

Interessant, welkom subjectiviteit in de btw. De AG staat dus Mydibel/Don Bosco-aanpak voor als hoofdregel. Maar hoe zien we dan FBK en Vega? Overigens: de thematiek van ons artikel (relevantie eco realiteit) komt eigenlijk voort uit de omstandigheid dat het recht per definitie onvolmaakt is, in die zin dat niet elke situatie precies en uitputtend geregeld kan worden in het positieve recht (wet-en regelgeving). Er is dus altijd een noodzaak om a) relevante feiten te kiezen, b) relevante regels te kiezen, en c) de regels op de feiten toe te passen. Als rechter (maar ook belplichtige) moet je dus op zoek. Groet! Frank Hoi Frank,


Voor ons artikeltje: conclusie van AG in UP Caffee:

b) Beoordeling van de feiten versus uitlegging van een rechtsnorm

33. Volgens het Hof kan het beginsel van het verbod van misbruik ook worden tegengeworpen aan een belastingplichtige indien de nationale wet geen bepalingen bevat om in geval van fraude of misbruik voordelen uit rechten uit hoofde van de btw-richtlijn te weigeren.(9)

34. Het Hof baseert zijn redenering onder meer op het feit dat de weigering om in geval van fraude of misbruik te profiteren van de uit de btw-richtlijn voortvloeiende voordelen als inherent aan het gemeenschappelijke btw-stelsel moet worden gezien.(10) In het bijzonder zijn in een dergelijk geval de objectieve voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het gewenste voordeel te verkrijgen in werkelijkheid niet vervuld.(11)

1) Onproblematisch: bepaling van de economische feiten

35. Bij het bepalen van de relevante feiten moet de handeling worden beoordeeld zoals de partijen deze feitelijk hebben bedoeld, dat wil zeggen op basis van de feitelijke economische omstandigheden. Niet de gekozen civielrechtelijke regeling, dat wil zeggen de „externe rechtsvorm” van de handeling is beslissend, maar de economische bedoeling van de partijen, gelet op het geheel van de omstandigheden. Dit is echter geen kwestie van de uitlegging van het Unierecht (of van het nationale recht), maar van de beoordeling van de feiten.

36. In het kader van de procedure van artikel 267 VWEU, die op een duidelijke afbakening van de taken van de nationale rechterlijke instanties en van het Hof berust, is de nationale rechter bij uitsluiting bevoegd om de feiten van het hoofdgeding vast te stellen en te beoordelen en het nationale recht uit te leggen en toe te passen.(12) Het Hof kan ter zake hoogstens aanwijzingen geven. Indien de verwijzende rechter tot de conclusie komt dat de oprichting van verzoekster slechts juridisch fictief was om het bedrijf van de vorige vennootschap economisch voort te zetten, kan hij bijvoorbeeld in het kader van een economische benadering voorbijgaan aan de „externe rechtsvorm” en uitgaan van de juiste, economisch daadwerkelijk bedoelde feiten.

37. Dit volgt reeds uit het feit dat het belastingrecht uiteindelijk beoogt economische situaties gelijk te belasten. Om die reden moet eerst de economische inhoud van de feiten juist worden begrepen. Een constructie die deze economische inhoud kunstmatig probeert te omzeilen of te verbergen door middel van de vrijheid van organisatie onder het burgerlijk recht, kan de werkelijke onderliggende feiten niet veranderen. Gelet op het beginsel van gelijke belastingheffing moeten economisch vergelijkbare situaties (ongeacht hun civielrechtelijke constructie) op dezelfde wijze worden belast. Een dergelijke beoordeling van de feiten kan op basis van het door de Commissie aangehaalde artikel 11 van de Opći porezni zakon in casu zelfs denkbaar zijn. Deze bepaling lijkt immers te vereisen dat de fiscale situatie wordt bepaald aan de hand van de economische inhoud ervan.


, Ch. P. A., 1965, Fiscale Rechtsvinding (diss.), Amsterdam: NV Uitgeverij FED, pp. 151-153;

Heber, C., Sternberg, C., Legal Interpretation of Tax Law: Germany, in Brederode, R.F., Krever, R., 2017, Legal Interpretation of Tax Law, The Hague: Kluwer International BV, p. 221-222


https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2025:669


Fenix: 77. De gegevens die krachtens artikel 226, punten 5 en 6, van de btw-richtlijn op de factuur – te weten een document met betrekking tot hetwelk iedere belastingplichtige overeenkomstig artikel 220, punt 1, van deze richtlijn ervoor moet zorgen dat het naar behoren is uitgereikt voor elke dienst die hij met name heeft verricht voor een andere belastingplichtige (zie in die zin arrest van 18 juli 2013, Evita-K, C 78/12, EU:C:2013:486, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak) – moeten worden vermeld, zijn elementen die deel uitmaken van de commerciële en contractuele betrekkingen tussen de verschillende partijen en die geacht worden de economische en commerciële realiteit van de betrokken transacties weer te geven. Deze gegevens maken aldus een beoordeling mogelijk van de betrekkingen tussen de verschillende marktdeelnemers die optreden bij langs elektronische weg verrichte diensten


2. Regelgeving


3. Jurisprudentie

A Oy, C‑410/17
47 In such as case, the taxable base of the supply of services which is the subject matter of a demolition contract, such as that at issue in the main proceedings, is constituted by the price actually paid by the client and by the value attributed by the service provider to the recyclable scrap metal, as reflected in the amount of the reduction of the price charged for the supply of services.

48 However, it may be that, on occasion, that value does not reflect economic and commercial reality which, according to the case-law of the Court, is a fundamental criterion for the application for the common system of VAT. In such a case, it is for the national court to ensure, taking account of all the relevant circumstances, that there is no abuse (see, to that effect, judgment of 20 June 2013, Newey, C‑653/11, EU:C:2013:409, paragraph 39, 46 and 52).

49 Accordingly, the answer to the first question is that Article 2(1)(a) and © of Directive 2006/112, read together with Article 14(1) and Article 24(1) thereof, must be interpreted as meaning that, where, pursuant to a demolition contract, the service provider, namely a demolition company, is required to carry out demolition works and may, in so far as the demolition waste contains scrap metal, resell that scrap metal, that contract consists of a supply of services for consideration, that is to say the performance of demolition works, and also a supply of goods for consideration, that is the supply of the scrap metal, if the purchaser, that is to say the demolition company, attributes a value to that supply of goods, which it factors in when calculating the price quoted for the performance of the demolition works, that supply of goods being, however, subject to VAT only if it is made by a taxable person acting as such.


  • HvJ EG 28 juni 2007, nr. C-73/06 (Planzer), V-N 2007/36.23, r.o. 43

Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de inaanmerkingneming van de economische realiteit een fundamenteel criterium voor de toepassing van het gemeenschappelijk stelsel van btw vormt (arrest van 20 februari 1997, DFDS, C-260/95, Jurispr. blz. I-1005, punt 23)

  • Ongeordende lijstHvJ EG 20 februari 1997, nr. C-260/95 (DFDS), V-N 1997, blz. 1662, r.o. 23
  • Conclusie A-G Scharpston van 14 juni 2007, nr. C-355/06 (Van der Steen), V-N 2007/30.15, punt 31
  • HvJ EG 18 oktober 2007, nr. C-355/06 (Van der Steen), V-N 2007/48.19

  • HR 17 mei 2024, nr. 22/03060, ECLI:NL:HR:2024:707, V-N 2024/23.14
    5.2.5 Uit onder meer punt 72 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 28 februari 2023, Fenix International Ltd, C-695/20, ECLI:EU:C:2023:127, volgt dat voor de heffing van btw als regel geldt dat contractuele bepalingen in beginsel de economische en commerciële realiteit van de handelingen weergeven, zodat de toepasselijke contractuele bepalingen een in aanmerking te nemen factor vormen om te bepalen welke belastbare handelingen tussen de contracterende partijen zijn verricht.
    Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt ook dat het beginsel van het verbod van misbruik ertoe leidt dat voor de heffing van omzetbelasting de in contractuele bepalingen neergelegde gevolgen niet worden verbonden aan zuiver kunstmatige constructies die geen verband houden met de economische realiteit en waarvan het wezenlijke doel enkel bestaat in het verkrijgen van een belastingvoordeel.3 In het geval misbruik van recht wordt vastgesteld, moeten de in het kader daarvan verrichte transacties worden geherdefinieerd, en wel zodanig dat de situatie wordt hersteld zoals zij zou zijn geweest zonder de transacties die dit misbruik vormen.4
    5.2.6 Het Hof heeft vastgesteld dat belanghebbende en de Woningcorporatie hebben afgesproken dat het gebouw na 30 jaar door belanghebbende zal worden teruggekocht voor een op voorhand bepaalde koopsom van ongeveer € 975.000. Voor zover de middelen 2 tot en met 4 dat oordeel bestrijden, falen zij. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige door de Hoge Raad in de cassatieprocedure niet op juistheid worden onderzocht. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
    5.2.7 Aangezien het Hof niet heeft vastgesteld dat zich in dit geval misbruik van recht voordoet, volgt uit hetgeen hiervoor in 5.2.5 is overwogen dat de contractuele bepalingen leidend zijn voor de heffing van omzetbelasting omdat partijen uitvoering hebben gegeven aan de contractuele bepalingen, terwijl vaststaat dat schijnhandelingen noch fraude aan de orde zijn.
    5.2.8 De hiervoor in 5.2.6 bedoelde afspraak kan niet eraan afdoen dat de levering van het gebouw in overeenstemming met de contractuele bepalingen is verricht tegen betaling van een bedrag van € 654.500. Het oordeel van het Hof dat belanghebbende het gebouw om niet heeft geleverd, berust dus kennelijk op een herdefiniëring van de verrichte transacties en handelingen. Gelet op hetgeen hiervoor in 5.2.5 is overwogen, is zo’n herdefiniëring alleen aan de orde als zich misbruik van recht voordoet. Dat laatste heeft het Hof niet vastgesteld. Daarmee berust dat oordeel van het Hof op een onjuiste rechtsopvatting. De middelen 2 tot en met 4 voor het overige slagen.

4. Literatuur


beginselen/economische_realiteit.txt · Last modified: by avdoesum