Table of Contents
Entiteit
1. Aantekeningen
1.1 Fiscale eenheid als entiteit
- GJ:
In de toelichting van de Europese Commissie bij het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 77/388/EEG wat betreft bepaalde maatregelen ter vereenvoudiging van de BTW-heffing en ter bestrijding van belastingfraude en -ontwijking, en tot intrekking van bepaalde derogatiebeschikkingen van 16 maart 2005, COM(2005)89def., blz. 5 wordt de fiscale eenheid aangeduid met de term 'entiteit'. Deze term reserveer ik echter voor niet-benoemde samenwerkingsverbanden zonder rechtspersoonlijkheid die als belastingplichtige kunnen kwalificeren als de participanten daarin gezamenlijk jegens derden economische activiteiten verrichten. Zie voor de entiteitsgedachte paragraaf 3.2.1 alsmede TC 28 november 1977, nr. 11 177 O '68, BNB 1978/89 inzake samenwerkende loonslagers, HR 9 september 1992, nr. 27 399, BNB 1992/366 en HR 7 november 2003, nr. 37 800, BNB 2004/66.
===1.2 Proefschriftaantekeningen entiteit
1.3 Het begrip entiteit
- R.M. Vermeulen, (Non)discirminatie bij de fiscale eenheid in de omzetbelasting, FED 1991/624
3.6. Uitvoering van de nondiscriminatiebepalingen
(…)Twee hanteerbare methoden staan mij daarbij voor ogen. De formele of statische gelijke behandeling en de compensatoire behandeling. (Kees van Raad, Nondiscrimination in International Tax Law, Kluwer Deventer, pag. 11.) In het eerste geval wordt de FE herkend (de FE blijft subject) maar alleen de delen die in Nederland zijn gevestigd, worden aangemerkt als een vaste inrichting van de FE en als zodanig in de heffing betrokken. Bij een tweede mogelijkheid wordt alleen de in Nederland gevestigde vennootschap herkend (Nederlandse deel is subject), maar behandeld alsof het een deel is van de FE. De vennootschap krijgt op die manier als het ware compensatie omdat zij in feite deel uitmaakt van een FE die dan formeel niet tot stand komt. Deze tweede benaderingswijze is in het verleden door de Belastingdienst wel toegepast, bij enigszins vergelijkbare situaties. Het ging in die gevallen om de herkenning en erkenning van een internationaal concern als een entiteit, waarvan slechts (bijvoorbeeld) de financieringsdochter in Nederland was gevestigd. Een dergelijke entiteit is soms eenvoudig te herkennen, met name als het om beursfonds gaat dat op meerdere plaatsen op de wereld onder een naam is genoteerd. In het maatschappelijk verkeer treedt de groep (ook al bestaat dat uit vele tientallen of honderden vennootschappen) geconsolideerd als een concern naar buiten. Ik heb begrepen dat dit 'entiteitbeleid' inmiddels door de Belastingdienst is verlaten. Ik kan mij echter nog steeds situaties voorstellen waarbij deze entiteit-benadering een acceptabele oplossing geeft om recht te doen aan het beginsel van de externe neutraliteit. Mijn voorkeur voor de verwerking van de gevolgen van een beroep op een nondiscriminatiebepaling bij de fiscale eenheid over de grenzen gaat uit naar de geschetste tweede methode (compensatoire benadering), omdat die administratief het gemakkelijkst werkt.
3.2.3. Gezamenlijke rekening en risico
Beschouwing
Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van één dan wel van verschillende ondernemers, speelt een rol voor wiens rekening en risico de onderneming(en) gedreven worden. Toch lijkt voor het zijn van een entiteit niet vereist te zijn dat de onderneming voor gezamenlijke rekening en risico wordt gedreven.
Jurisprudentie
De inspecteur heeft uit advertenties in een dagblad, waarin zowel aan het adres van belanghebbende als aan het adres van diens vader (brom)fietsen ten verkoop werden aangeboden, afgeleid dat belanghebbende als ondernemer moest worden aangemerkt. Aangezien door belanghebbende ter zake geen omzetbelasting was afgedragen heeft de inspecteur de zijns inziens door belanghebbende verschuldigde omzetbelasting van hem nageheven. Het hof heeft, mede op grond van in een notitieboekje van belanghebbendes vader voorkomende aantekeningen, geoordeeld dat de handel door belanghebbende niet voor eigen rekening maar uitsluitend voor gezamenlijke rekening met zijn vader is gedreven. De aanslag was daarom ten onrechte aan belanghebbende opgelegd.
Hof 's-Gravenhage 23 november 1979, nr. 127/78, V-N 1980, blz. 1308.
X exploiteerde sedert 1979 een winkel te Q en sedert 1986 een winkel te R. In 1987 zijn X en zijn echtgenote, Y, gescheiden. X heeft de winkel te R voortgezet en Y die te Q. De boedelscheiding vond niet eerder plaats dan medio 1991. Over 1987 en 1988 voldeed X de omzetbelasting voor beide winkels. Van de in 1989 voldane bedragen is niet duidelijk of zij ook betrekking hebben op de winkel te Q. X' gemachtigde berichtte op 12 februari 1990 aan de inspecteur dat X per 1 januari 1990 niets meer met de winkel te Q te maken had. In geschil is of de inspecteur terecht stelt dat de exploitatie van de winkel te Q in 1989 nog in het kader van X' onderneming plaatsvond. Het hof heeft de stelling van de inspecteur dat X de leveringen vanuit de onderneming te Q in het kader van zijn onderneming heeft verricht, aannemelijk geacht. Hiermee heeft het hof kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat de verkopen in de vestiging te Q voor X' rekening en risico werden verricht. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste opvatting van art. 7 van de wet en is overigens van feitelijke aard.
HR 9 oktober 1996, nr. 31 104, BNB 1996/379 (concl. A-G Van den Berge).
Een onderdeel van belanghebbende (een fiscale eenheid) verricht op grond van een partageovereenkomst backoffice-activiteiten (acceptatie aanvragen, behandeling polismutaties, behandeling claims, opbouw en beheer informatietechnologie etc.) voor een verzekeraar, C NV.
HR: Belanghebbende en C NV vormen geen combinatie die moet worden aangemerkt als ondernemer omdat C NV zich naar buiten presenteert als zelfstandig verzekeraar die door bemiddeling van tussenpersonen (andere ondernemers dan belanghebbende) verzekeringen aanbiedt en afsluit, en niet belanghebbende en C NV als gezamenlijke exploitanten van een verzekeringsbedrijf.
Belanghebbende draagt niet het voor het verzekeringsbedrijf kenmerkende risico van de polissen, dat doet slechts C NV. Het verzekeringsbedrijf wordt dus niet voor gezamenlijk risico uitgeoefend.
De Hoge Raad stelt prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie over de uitleg van het begrip 'samenhangende diensten', verricht door assurantiemakelaars of verzekeringsagenten.
HR 7 november 2003 Nr. 37 800, BNB 2004/66 (V-N 2003/58.19; FED 2003/648).
Literatuur
R.R.J.M. Keijsers, 'Van echtparen, entiteiten en fiscale eenheden en hoe scheiden doet lijden', BtwBrief 1996, nr. 12, blz. 8, bespreekt HR 9 oktober 1996, nr. 31 104.
R.N.G. Van der Paardt geeft in zijn aant. bij FED 2003/648 aan dat ook al werken personen met betrekking tot bepaalde economische activiteiten duurzaam met elkaar samen, dan is van een eenheid in ondernemerschap (vergelijk het arrest van het HvJ EG 27 januari 2000, Heerma, zaak C-23/98 BNB 2000/297) geen sprake. In dit geval presenteert de verzekeraar zich naar buiten als zelfstandige verzekeraar die door bemiddeling van tussenpersonen verzekeringen aanbiedt en afsluit en treden belanghebbende en de verzekeraar niet naar buiten als gezamenlijke exploitanten van het verzekeringsbedrijf. Het optreden van een samenwerkingsverband in het economische verkeer is van grote importantie voor de beoordeling van de vraag, of zij gezamenlijk als één ondernemer kunnen worden gezien, dan wel of er sprake is van twee zelfstandige ondernemers die in het economische verkeer optreden, waarvan de prestaties elk op hun fiscale merites beoordeeld dienen te worden. De auteur juicht het toe dat de Hoge Raad over het begrip 'samenhangende diensten verricht door assurantiemakelaars en verzekeringsagenten' een prejudiciële vraag heeft gesteld.
Van Hilten gaat in haar noot op BNB 2004/66 in op de vraag of voor het zijn van een entiteit nog een tweede voorwaarde geldt: het voor gemeenschappelijk rekening en risico optreden. De Hoge Raad gaat er niet in op het aspect, hoewel de staatssecretaris dat wel aansneed en zich op het standpunt stelde dat voor het zijn van een entiteit noodzakelijk is dat gezamenlijk voor gemeenschappelijke rekening en risico wordt opgetreden. Uit de overwegingen in het arrest valt haars inziens niet af te leiden of de Hoge Raad de opvatting van de staatssecretaris deelt, maar niet aan een additioneel vereiste van gezamenlijke rekening en risico toekomt omdat er al geen sprake is van een entiteit in verband met het ontbreken van een gezamenlijke presentatie naar buiten of dat de Hoge Raad de door de staatssecretaris bepleite extra voorwaarde niet stelt. Hooguit zou de zinsnede '(…) personen met betrekking tot bepaalde economische activiteiten met elkaar in een duurzame samenwerking naar buiten optreden en zo een bedrijf of beroep uitoefenen(*3) zodat sprake is van een combinatie met feitelijke maatschappelijke zelfstandigheid (…)' in 4.1.3 kunnen wijzen op de eis dat een combinatie ook gezamenlijk risico moet lopen om één ondernemer te zijn. Toch denk zij niet dat die zinsnede zo bedoeld is.
2. Regelgeving
3. Jurisprudentie
- HvJ EG 11 maart 1997, nr. C-13/95 (Ayse Süzen), Jur. 1997 blz I-01259, r.o. 13
- HvJ EG 10 december 1998, nr. C-247/96 (Ziemann), 1998 blz. I-08237, r.o. 25
- HvJ EG 20 juni 1991, zaak C-60/90 (Polysar), FED 1991/633
- TC 28 november 1977, nr. 11 177 O '68 (Loonslagers), BNB 1978/89.
- BNB 1986/45
- BNB 1991/222
- BNB 1992/366
- BNB 1996/379
- BNB 2004/66
- Hof Leeuwarden 9 maart 2007, nr. 1142/04, V-N 2007/34.26
- Samenwerkingsverband aanschaf en verkoop perceel grond woning en bedrijfsgebouw. Geen ondernemerschap geen regelmatigheid.
- Ondanks uitzakken stichting vormen twee stichtingen tezamen toch 1 entiteit? Hof Den Haag, 20 april 2001, nr. 99/1783, V-N 2002, nr. 16.19.
- * HR 2 mei 1984, nr. 22.153, BNB 1984/295
- Rompelman
- INZO
- HvJ 21 april 2005, nr. C-25/03, HE
- HR 5 november 1976, NJ 1977/586
- HR 12 augustus 2005, nr. 38.303
4. Literatuur
- Asser, Vertegenwoordiging en rechtspersoon, II. De Rechtspersoon, Hoofdstuk I. Theoretische beschouwing
- Asser, Vertegenwoordiging en rechtspersoon, II. De Rechtspersoon, Hoofdstuk II. Rechtspersoonlijkheid in het Nederlandse recht
- Asser, Vertegenwoordiging en rechtspersoon, II. De Rechtspersoon, Hoofdstuk III. De rechtspersonen van het Nederlandse recht
- Slagter, Personenassociaties, II. Vennootschap onder firma, Hoofdstuk I. Inleiding
- Rechtspersonen, Boek 2 BW, artikelsgewijs commentaar, Titel I. Algemene bepalingen, artikel 3. Aantekening 6. Onderscheiding van rechtspersonen, materiele kenmerken
- J.J.P. Swinkels, De belastingplichtige in de Europese BTW, Koninklijke Vermande 2001, 's-Gravenhage, blz. 150.
- M.L.M. van Kempen, Kwalificatie van buitenlandse rechtsvormen, WFR 2005/573
- M.L.M. van Kempen, Het wetsvoorstel Titel 7.13 BW en fiscale transparantie van personenvennootschappen, WFR 2003/285
- G.T.K. Meussen, Rechtspersoonlijkheid voor openbare personenvennootschappen: hoe zit het met de fiscaliteit?, WFR 2001/1241
