Table of Contents
Fiscale Eenheid
1. Aantekeningen
1.1 Vereiste van ondernemerschap: strijd met RL?
Vraag
Aan een om niet moeiende houdstervennootschap is ter zake van aan haar dochtervennootschappen verrichte diensten btw in rekening gebacht. Die btw is bij de dochtervennootschappen in aftrek gebracht. Dat is evident onjuist. Kan nu (met terugwerkende kracht) gesteld worden dat sprake is van een fiscale eenheid tussen de om niet moeiende houdstervennootschap en de werkmaatschappijen, zodat de btw geacht moet worden door de fiscale eenheid in aftrek te zijn gebracht (beroep op holdingresolutie is niet mogelijk, omdat daarvoor een schriftelijk verzoek nodig is, hetgeen niet is gedaan).
Rechtsvraag: kun je je beroepen op het verschil tussen artikel 11 Btw-richtlijn en artikel 7, lid 4 Wet OB voor wat betreft de Nederlandse eis dat alleen ondernemers onderdeel van een fiscale eenheid uit kunnen maken.
HR 1 april 1987, nr. 23 644, BNB 1987/203
De Hoge Raad oordeelde met een beroep op de wetshistorie, dat alleen ondernemers deel konden uitmaken van de fiscale eenheid.
Commissie / Nederland
45 In de derde plaats blijkt aangaande de met artikel 11 van de btw-richtlijn nagestreefde doelstellingen uit de toelichting bij het voorstel van de Commissie dat heeft geleid tot de vaststelling van de Zesde richtlijn, dat de Uniewetgever met artikel 4, lid 4, tweede alinea, van deze richtlijn, dat is vervangen door voormeld artikel 11, de lidstaten de mogelijkheid heeft willen bieden, niet stelselmatig de hoedanigheid van belastingplichtige aan het begrip strikt juridische zelfstandigheid te koppelen, hetzij met het oog op administratieve vereenvoudiging, hetzij ter vermijding van bepaalde vormen van misbruik, bijvoorbeeld de splitsing van een onderneming in verscheidene belastingplichtigen om in aanmerking te komen voor een bijzondere regeling (arrest Commissie/Ierland, reeds aangehaald, punt 47).
46 Het is echter niet zo dat deze doelstellingen gevaar lopen door de mogelijkheid voor de lidstaten om een groep personen met een of meerdere personen die onder omstandigheden individueel niet de hoedanigheid van belastingplichtige hebben, aan te merken als één belastingplichtige. Zoals het Koninkrijk der Nederlanden en interveniënten aanvoeren, kan juist niet worden uitgesloten dat wanneer dergelijke personen lid zijn van een fiscale eenheid, dit zowel voor deze eenheid als voor de belastingdienst administratieve vereenvoudiging in de hand werkt en het mogelijk maakt bepaalde vormen van misbruik te voorkomen, en zelfs daartoe onontbeerlijk kan blijken te zijn ingeval alleen daardoor de nauwe verbondenheid ontstaat die financieel, economisch en organisatorisch tussen de leden van deze groep moet bestaan om als één belastingplichtige te worden aangemerkt (arrest Commissie/Ierland, reeds aangehaald, punt 48).
47 Daaraan moet worden toegevoegd dat, gesteld dat deze mogelijkheid zelf tot misbruik kan leiden, de lidstaten op grond van artikel 11, tweede alinea, van de btw-richtlijn alle maatregelen kunnen vaststellen die nodig zijn om belastingfraude en -ontwijking met gebruikmaking van deze bepaling te voorkomen (arrest Commissie/Ierland, reeds aangehaald, punt 49).
Ik leid hieruit af dat de beperking van de fiscale eenheid in Nederland tot ondernemers geen maatregel is die gestoeld is op artikel 11, tweede alinea btw-richtlijn.
Larentia + Minerva
50 Zoals de advocaat-generaal in punt 112 van zijn conclusie heeft aangegeven, dient de in artikel 4, lid 4, van de Zesde richtlijn neergelegde voorwaarde voor de vorming van een btw-groep, namelijk dat er nauwe financiële, economische en organisatorische banden tussen de betrokkenen bestaan, te worden gepreciseerd op nationaal niveau. Dit artikel is dus voorwaardelijk, aangezien het verlangt dat nationale bepalingen worden vastgesteld die concretiseren om welk soort banden het gaat.
51 Bijgevolg voldoet artikel 4, lid 4, van de Zesde richtlijn niet aan de voorwaarden voor rechtstreekse werking.
52 Derhalve moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 4, lid 4, van de Zesde richtlijn niet kan worden geacht rechtstreekse werking te hebben die de belastingplichtigen in staat stelt zich tegenover hun lidstaat op deze bepaling te beroepen ingeval de wetgeving van hun lidstaat niet verenigbaar is met die bepaling en evenmin in overeenstemming ermee kan worden uitgelegd.
Uit NDG volgt dat weliswaar de verwevenheidseisen op nationaal niveau moeten worden gepreciseerd, maar ook dat het uniforme begrippen van Unierecht zijn. De vraag is dus hoe nou het uniforme karakter zich verhoudt tot de voorwaardelijkheid die vanwege vereiste nationale precisering.
NDG
44 In dit verband volgt uit de bewoordingen van artikel 4, lid 4, tweede alinea, van de Zesde richtlijn dat elke lidstaat verschillende entiteiten als één belastingplichtige kan aanmerken wanneer zij op het grondgebied van diezelfde lidstaat zijn gevestigd en juridisch gezien wel zelfstandig zijn, doch financieel, economisch en organisatorisch nauw met elkaar verbonden zijn. Volgens de bewoordingen van dit artikel gelden voor de toepassing ervan geen andere voorwaarden. Evenmin voorziet dit artikel in de mogelijkheid voor de lidstaten om ondernemingen andere voorwaarden voor de vorming van een btw-groep op te leggen (zie in die zin arrest van 25 april 2013, Commissie/Zweden, C 480/10, EU:C:2013:263, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Ik leid hieruit af dat het in beginsel niet toegestaan is voor Nederland om de fiscale eenheid tot ondernemers te beperken.
50 In dit verband bevatte de Zesde richtlijn tot aan de inwerkingtreding van de derde alinea van artikel 4, lid 4, ervan – die voortvloeit uit richtlijn 2006/69/EG van de Raad van 24 juli 2006 tot wijziging van richtlijn 77/388/EEG wat betreft bepaalde maatregelen ter vereenvoudiging van de btw-heffing en ter bestrijding van de belastingfraude en -ontwijking en tot intrekking van bepaalde derogatiebeschikkingen (PB 2006, L 221, blz. 9) – weliswaar geen uitdrukkelijke voorschriften die de lidstaten de mogelijkheid boden om maatregelen vast te stellen die noodzakelijk zijn ter bestrijding van belastingfraude en -ontwijking, maar dat belette de lidstaten niet om vóór die inwerkingtreding dergelijke maatregelen vast te stellen, aangezien de strijd van de lidstaten tegen belastingfraude en ontwijking als doelstelling wordt erkend en wordt aangemoedigd door de Zesde richtlijn, ook al geeft de Uniewetgever geen uitdrukkelijke machtiging (zie in die zin arrest van 16 juli 2015, Larentia + Minerva en Marenave Schiffahrt, C 108/14 en C 109/14, EU:C:2015:496, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Ik heb uit CIE/NL afgeleid dat beperking Nederlandse fiscale eenheid geen maatregel is die gestoeld is op artikel 11, tweede lid Btw-RL.
64 Meteen zij erop gewezen dat de in artikel 4, lid 4, tweede alinea, van de Zesde richtlijn neergelegde voorwaarde voor de vorming van een btw-groep, namelijk dat er nauwe financiële, economische en organisatorische banden tussen de betrokken personen bestaan, dient te worden gepreciseerd op nationaal niveau, zodat deze bepaling voorwaardelijk is, aangezien zij verlangt dat nationale bepalingen worden vastgesteld die concretiseren om welk soort banden het gaat (zie in die zin arrest van 16 juli 2015, Larentia + Minerva en Marenave Schiffahrt, C 108/14 en C 109/14, EU:C:2015:496, punt 50).65 Voor een uniforme toepassing van de Zesde richtlijn is het echter van belang dat het begrip „nauwe financiële banden” in de zin van artikel 4, lid 4, tweede alinea, van deze richtlijn autonoom en uniform wordt uitgelegd. Een dergelijke uitlegging is geboden, ook al is de in die bepaling opgenomen regeling facultatief voor de lidstaten, teneinde te voorkomen dat, wanneer die regeling wordt uitgevoerd, bij de toepassing ervan verschillen tussen de lidstaten ontstaan (zie naar analogie arrest van 15 april 2021, Finanzamt für Körperschaften Berlin, C 868/19, niet gepubliceerd, EU:C:2021:285, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak). 66 In dit verband zij eraan herinnerd dat, zoals in de punten 44 en 51 van het onderhavige arrest is benadrukt, artikel 4, lid 4, tweede alinea, van de Zesde richtlijn weliswaar niet uitdrukkelijk voorziet in de mogelijkheid voor de lidstaten om marktdeelnemers andere voorwaarden voor de vorming van een btw-groep op te leggen, maar de lidstaten mogen in het kader van hun beoordelingsmarge bepaalde voorwaarden voor de toepassing van de regeling inzake btw-groepen stellen, mits die voorwaarden stroken met de doelstellingen van deze richtlijn die erin bestaan misbruik te voorkomen en belastingfraude of -ontwijking te bestrijden en mits het Unierecht en de algemene beginselen ervan, met name het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van fiscale neutraliteit, worden geëerbiedigd (zie naar analogie arrest van 15 april 2021, Finanzamt für Körperschaften Berlin, C 868/19, niet gepubliceerd, EU:C:2021:285, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
NDG
Vraag over rechtstreekse werking niet beantwoord.
Mijn voorlopige conclusies
- Het lijkt me sterk dat het HvJ impliciet is teruggekomen op het oordeel dat artikel 11 van de Btw-richtlijn geen rechtstreekse werking heeft. Eventuele opening: MDDP (zie hierna, ziet evenwel op vrijstellingen).
- Ik zie daarom eigenlijk niet veel in een argumentatie die op de vermeende rechtstreekse werking wordt gestoeld.
- Je kunt volgens mij niet zeggen dat je je rechtstreeks op de tekst van artikel 11 kunt beroepen voor een stelling dat niet-belastingplichtigen in een fiscale eenheid kunnen.
- Volgens mij is het wel mogelijk om (met succes te betogen dat artikel 7, lid 4, ‘die op grond van het bepaalde in dit artikel ondernemer zijn’:
- * niet gebaseerd is op artikel 11, tweede alinea Btw-richtlijn (i.e. mogelijkheid om maatregelen tegen fraude en misbruik te nemen),
- * dat (dus) Nederland een andere voorwaarde heeft gesteld dan die welke artikel 11 Btw-richtlijn worden toegestaan en
- * waardoor deze zinsnede in strijd is met artikel 11 Btw-richtlijn, als gevolg waarvan
- * deze voorwaarde buiten toepassing dient te blijven.
- * Probleem dat blijft bestaan is dan nog: wie het meerdere mag, mag ook het mindere. Geldt dat ook voor de fiscale eenheid of betreft het hier toch een extra (en dus ontoelaatbare) eis?
- Blijft dan nog wel de vraag over hoe invulling kan worden gegeven aan de verwevenheidseisen.
- Vraag van mij is nog: mag het HvJ op een prejudiciele vraag van een nationale rechter oordelen dat een nationale bepaling in strijd is met het Unierecht of kan dat alleen via een inbreukprocedure?
MDDP, 50 e.v. 50 Wat de tweede voorwaarde betreft, volgt uit het antwoord van het Hof op de eerste vraag dat artikel 132, lid 1, sub i, van de btw-richtlijn aan de lidstaten een zekere beoordelingsvrijheid laat bij de omschrijving van particuliere organisaties die soortgelijke doelstellingen hebben als publiekrechtelijke lichamen en die dan ook overeenkomstig dit artikel van btw moeten worden vrijgesteld. \\** 51** Het Hof heeft evenwel reeds vastgesteld dat de omstandigheid dat een bepaling van de btw-richtlijn die voorziet in een vrijstelling, aan de lidstaten een beoordelingsvrijheid toekent om de begunstigden van deze vrijstelling te bepalen, niet belet dat deze bepaling voldoende nauwkeurig is om rechtstreeks te kunnen worden ingeroepen indien de litigieuze dienstverrichting volgens objectieve aanwijzingen voldoet aan de criteria voor deze vrijstelling (zie met name arrest JP Morgan Fleming Claverhouse Investment Trust en The Association of Investment Trust Companies, reeds aangehaald, punten 60 en 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
1.1 Invulling verwevenheidseisen
1.1.1 Commissie / Finland
- HvJ 25 april 2013, Commissie v Finland, C-74/11, EU:C:2013:266
62 Il importe spécialement, pour une application uniforme de la directive TVA, que la notion d’«assujetti» définie sous le titre III de celle-ci reçoive une interprétation autonome et uniforme. Dans ce cadre, une telle interprétation s’impose pour l’article 11 de la directive TVA, malgré le caractère facultatif, pour les États membres, du régime qu’il prévoit, afin d’éviter, lorsqu’il est mis en œuvre, des divergences dans l’application de ce régime d’un État membre à l’autre.
Voor een uniforme toepassing van de BTW-richtlijn is het van bijzonder belang dat aan het in titel III gedefinieerde begrip “belastingplichtige” een autonome en uniforme uitlegging wordt gegeven. In dit verband is een dergelijke uitlegging noodzakelijk voor artikel 11 van de btw-richtlijn, ondanks het facultatieve karakter voor de lidstaten van de regeling waarin het voorziet, teneinde bij de toepassing ervan verschillen in de toepassing van deze regeling tussen de lidstaten te voorkomen.
1.1.2 Commissie / Zweden
- Commissie / Zweden
HvJ 25 april 2013, nr. C‑480/10, Europese Commissie tegen Koninkrijk Zweden, ECLI:EU:C:2013:263, V-N 2013/24.15
34 Met het oog op een uniforme toepassing van de btw-richtlijn is het van bijzonder belang dat het begrip „belastingplichtige”, zoals omschreven in titel III ervan, autonoom en eenvormig wordt uitgelegd. In deze context dient ook artikel 11 van de btw-richtlijn autonoom en eenvormig te worden uitgelegd, ook al is de daarin voorziene regeling facultatief voor de lidstaten, teneinde te voorkomen dat bij de toepassing ervan verschillen tussen de lidstaten ontstaan.
1.1.3 Larentia + Minerva
50 Zoals de advocaat-generaal in punt 112 van zijn conclusie heeft aangegeven, dient de in artikel 4, lid 4, van de Zesde richtlijn neergelegde voorwaarde voor de vorming van een btw-groep, namelijk dat er nauwe financiële, economische en organisatorische banden tussen de betrokkenen bestaan, te worden gepreciseerd op nationaal niveau. Dit artikel is dus voorwaardelijk, aangezien het verlangt dat nationale bepalingen worden vastgesteld die concretiseren om welk soort banden het gaat.
1.1.4 Overzicht implementatie Art. 11 Btw-RL
- EU Member States which implemented VAT Grouping
- Austria
- Belgium
- Cyprus
- Czech Republic
- Denmark
- Estonia
- Finland
- Germany
- Hungary
- Ireland
- Italy
- Latvia
- Luxembourg
- Malta
- Netherlands
- Romania
- Slovakia
- Spain
- Sweden
- EU Member States which are planning introducing VAT Grouping as of Jan 1, 2023
- France
- Poland
- EU Member States which do not allow VAT Grouping
- Bulgaria
- Croatia
- Greece
- Lithuania
- Portugal
- Slovenia
1.2 Boete fiscale eenheid
- Boete fiscale eenheid mogelijk
HR 9 april 2021, nr. 19/04310, NTFR 2021/1258, BNB 2021/84
1.3 Niet-ondernemersdeel fiscale eenheid
1.4 Fiscale eenheid structuur
- Thijs Bijlard, Zaak-TP: Europese reddingsboei of strohalm voor BTW-vrij samenwerken?, TaxLive 8 november 2023
Het komt geregeld voor dat twee of meer tandartsen of andere ‘BTW-vrijgestelde’ ondernemers hun gezamenlijke onderneming uitoefenen in een bv of nv, bijvoorbeeld vanwege de aansprakelijkheid of omdat dat commercieel beter lijkt dan een vof of maatschap.
Als zij dan ieder een eigen salarispolitiek willen voeren, is het handig als zij ieder een eigen holding-bv oprichten en bij hun eigen holding op de loonlijst komen te staan in plaats van bij de gezamenlijke werkmaatschappij.
Maar daarmee ontstaat ook gelijk een BTW-vraagstuk/-uitdaging. Want als de werkmaatschappij BTW moet betalen over de maandelijkse fee die zij aan de holdings moet betalen, werkt dat natuurlijk kostprijsverhogend. De werkmaatschappij kan die BTW namelijk in beginsel niet in aftrek brengen. Om deze BTW-inefficiency van de structuur het hoofd te bieden, kan worden overwogen om een management-maatschap op te richten tussen de holdings. De management-maatschap verricht managementdiensten aan de werkmaatschappij en houdt het economisch belang in alle aandelen in de werkmaatschappij. Als de management-maatschap en de werkmaatschappij een fiscale eenheid-BTW kunnen vormen, wordt de management fee niet belast met BTW. De management-maatschap kan haar resultaat als winstverdeling verdelen over de maten (de holdings). En daarover is ook geen BTW verschuldigd. Opgelost!? Nee, helaas. Deze sympathieke structuren bestrijdt de Belastingdienst sinds enkele jaren namelijk met het argument dat er geen financiële verwevenheid kan bestaan tussen de management-maatschap en de werkmaatschappij en zij daarom geen fiscale eenheid-BTW kunnen vormen; zie onder meer V-N 2023/2.17, V-N 2023/13.13 en V-N 2023/16.2.5. De rechter mag dus duidelijkheid geven.
Zijn er nog andere manieren om deze BTW-inefficiency te vermijden? Wellicht biedt de lopende EU-zaak C-288/22 (TP) uitkomst. A-G HvJ EU Kokott concludeert in die zaak dat een advocaat die lid is van de raad van bestuur van diverse vennootschappen, geen BTW is verschuldigd voor de vergoeding die hij van die vennootschappen ontvangt. Hierbij neemt de A-G in aanmerking dat de advocaat lid is van de raad van bestuur en daarom niet aansprakelijk is voor de door hem verrichte diensten. Die aansprakelijkheid ligt immers bij de raad – vgl. ook het arrest-IO (HvJ EU 13 juni 2019, C-420/18, V-N 2019/32.16) – en de vergoeding wordt eenzijdig vastgesteld door de algemene vergadering van de vennootschappen. Verder bepleit de A-G dat de activiteiten van de verplichte organen van een vennootschap buiten de BTW-heffing moeten blijven. De rechtsvormneutraliteit van de BTW brengt immers met zich mee dat een onderneming met onvolledig recht op BTW-aftrek die in een vennootschap wordt uitgeoefend, niet zwaarder mag worden belast dan een vergelijkbare onderneming in een eenmanszaak. De vergoeding wordt niet belast, omdat de advocaat deze activiteit niet zelfstandig uitoefent.
Het is natuurlijk afwachten hoe het Hof van Justitie EU in deze lopende procedure oordeelt. Maar ik kan me goed voorstellen dat er omstandigheden denkbaar zijn, waarbij de holdings geen zelfstandige activiteit uitoefenen en dus geen BTW zijn verschuldigd over de ontvangen vergoedingen.
1.5 Niet restrictieve uitlegging verwevenheidseisen
- Conclusie van advocaat-generaal A. Rantos van 16 mei 2024, C-184/23, Finanzamt T-II, ECLI:EU:C:2024:416
54. Uit de rechtspraak van het Hof volgt voorts dat, wat betreft de context van artikel 4, lid 4, tweede alinea, van de Zesde richtlijn, noch uit deze bepaling noch uit het stelsel dat door deze richtlijn is ingevoerd volgt dat deze bepaling een afwijkende of een bijzondere bepaling is die restrictief moet worden uitgelegd. De voorwaarde van het bestaan van de nauwe financiële banden mag dus niet restrictief worden uitgelegd.(29)
2. Regelgeving
- Communication from the Commission to the Council and the European Parliament on the VAT group option provided for in Article 11 of Council Directive 2006/112/EC on the common system of value added tax, COM(2009) 325 final, available online at: http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=COM:2009:0325:FIN:EN:PDF
- 25 October 2021, Working Paper 1027, Interaction between the VAT Group, the new provisions on e-commerce and the OSS schemes, taxud.c.1(2021)7400501 – EN
3. Jurisprudentie
3.1 HvJ
- Case C-868/19, M-GmbH tegen Finanzamt für Körperschaften Berlin, Personenvennootschappen fiscale eenheid
Uniforme interpretatie verwevenheidseisen?
- NDG
Conclusie van advocaat-Generaal Medina van 13 januari 2022, zaak C-141/20, Finanzamt Kiel tegen Norddeutsche Gesellschaft für Diakonie mbH, ECLI:EU:C:2022:11 - S
Conclusie van advocaat-Generaal Medina van 27 januari 2022, zaak C-269/20, Finanzamt T tegen S, ECLI:EU:C:2022:60 - Ampliscientifica
HvJ 22 mei 2008, zaak C-162/07, Ampliscientifica Srl en Amplifin SpA tegen Ministero dell’Economia e delle Finanze en Agenzia delle Entrate, ECLI:EU:C:2008:301 - Larentia en Minverva
- HvJ 12 juni 1979, nr. 181 en 229/78, Ketelhandel Van Paassen, BNB 1980/44
- Skandia Corp.
- Danske Bank
- * Commission / Finland (VAT Grouping) (Franse taalversie)
CJEU 25 April 2013, Case C‑74/11, European Commission v Republic of Finland (VAT Grouping), ECLI:EU:C:2013:266 - Commission / Ireland (VAT Grouping)
CJEU 9 April 2013, Case C‑85/11, European Commission v Ireland (VAT Grouping), ECLI:EU:C:2013:217 - Commission / Netherland (VAT Grouping) (Nederlandse taalversie)
CJEU 25 April 2013, Case C‑65/11, European Commission v Kingdom of the Netherlands (VAT Grouping), ECLI:EU:C:2013:265 - Commission / Sweden (VAT Grouping)
CJEU 5 April 2013, Case C‑480/10, European Commission v Kingdom of Sweden (VAT Grouping), ECLI:EU:C:2013:263
3.2 HR
- BNB 1967/173 (Interne sfeer / eigen kring, Quasi-FE?)
- HR 22 februari 1989, nr. 25 068, BNB 1989/112 (invulling verwevenheidseisen)
- HH in Fiscale eenheid
HR 14 juni 2002, nr. 35976, BNB 2002/287 - HR 1 april 1987, nrr 23644, BNB 1987/203 (7-2-b ondernemer kan niet in fiscale eenheid)
- HR 9 juli 2004, nr. 38026, BNB 2004/363 (Verkoop aandelen in onderdeel fiscale eenheid - aftrek)
- HR 22 februari 1989, nr. 25.068, BNB 1989/112 (BV voor oprichting geen ondernemer, dus geen fiscale eenheid)
- HR 18 december 1991, nr. 27.833, BNB 1992/115, V-N 1992/387 (Geen fiscale eenheid tussen stichting en plaatselijke instellingen ouderenzorg)
- HR 30 mei 1990, nr. 25.722, BNB 1990/241 (Vereisten financiële en organisatorische verwevenheid)
- HR 6 november 1985, nr. 23026, BNB 1986/45 (Fiscale eenheid ziet niet op combinaties van natuurlijke personen)
- HR 14 februari 2003, nr. 38238, FED 2003/364, BNB 2003/191 (Minderheidsbelang dus geen fiscale eenheid)
- HR 27 november 1991, nr. 26.156, BNB 1992/60 (Toerekening werkzaamheden aan moedervennootschap)
- HR 18 december 1991, nr. 27833, FED 1992/249, BNB 1992/115 (Fiscale eenheid tussen stichtingen)
- HR 30 mei 1990, nr. 25722, BNB 1990/241 (Fiscale eenheid tussen stichtingen)
3.3 Feitenrechters
- Hof Amsterdam 11 februari 2002, nr. 01/2026, V-N 2002/14.2.12 (Fiscale eenheid ondanks ontbreken meerderheidsbelang)
- Hof Den Haag, 14 december 1990, nr. 3177/90-M-3, BNB 1992/115
- Hof Leeuwarden 13 september 1991, nr. 526/90, V-N/625 (Geen samenwerkingsverband dus ook geen fiscale eenheid)
- Hof Amsterdam 23 oktober 1997, nr. 96/2170, V-N 1998/39.38
- Hof Amsterdam 18 september 1997, nr. 96/5431 (Fiscale eenheid publiekrechtelijke verzekeraar en stichting)
- Rechtbank Leeuwarden, 10 april 2002, nr. 39793, V-N 2002/22.25 (Aansprakelijkheid fiscale eenheid)
- Rechtbank Rotterdam, 10 april 2002, nr. 43087, V-N 2002/24.23 (Aansprakelijkheid fiscale eenheid)
3.4 Buitenlandse jurisprudentie
3.5 Ingangsdatum fiscale eenheid
- 2021 10 28 - Hof DH - 21-00144-48 - Ingangsdatum FE - Verbouwing investeringsgoed - ECLI_NL_GHDHA_2021_2160
- HR 22 april 2005, nr. 38659 (Ingangsdatum fiscale eenheid)
3.6 Fiscale eenheid als belastingplichtige/ status onderdelen
- Kaplan
45. In verband daarmee zij eraan herinnerd dat de toepassing van de regeling van artikel 11 van richtlijn 2006/112 impliceert dat de op grond van deze bepaling vastgestelde nationale regeling personen, met name vennootschappen die financieel, economisch en organisatorisch nauw met elkaar verbonden zijn, het recht verleent om voor de btw niet langer als afzonderlijke belastingplichtigen, maar als één enkele belastingplichtige te worden aangemerkt. Wanneer een lidstaat deze bepaling toepast, kan (kunnen) de afhankelijke persoon (personen) in de zin van deze bepaling dus niet als een belastingplichtige (belastingplichtigen) in de zin van artikel 9, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2006/112 worden aangemerkt (zie in die zin arrest van 22 mei 2008, Ampliscientifica en Amplifin, C‑162/07, EU:C:2008:301, punt 19)
** 46.** Hieruit volgt dat de gelijkstelling met een enkele belastingplichtige uitsluit dat de leden van de btw-groep verder afzonderlijke btw-aangiften indienen en verder binnen en buiten hun groep als belastingplichtigen worden geïdentificeerd, aangezien alleen de enkele belastingplichtige die aangiften kan indienen. Daaruit volgt dat diensten die een derde voor een lid van een btw-groep verricht, in een dergelijke situatie voor de toepassing van de btw niet moeten worden beschouwd als verricht voor het betreffende lid maar als verricht voor de btw-groep waartoe dat lid behoort (arrest van 17 september 2014, Skandia America (USA), filial Sverige, C‑7/13, EU:C:2014:2225, punt 29 - Skandia America Corp.
CJEU 17 September 2014, Case C‑7/13, Skandia America Corp. (USA), filial Sverige v Skatteverket, ECLI:EU:C:2014:2225
25. Wat betreft de gevolgen die verbonden zijn aan het behoren tot een op de grondslag van artikel 11 van de btw-richtlijn gevormde btw-groep, heeft het Hof geoordeeld dat een btw-groep één belastingplichtige vormt. De gelijkstelling met één enkele belastingplichtige staat eraan in de weg dat de leden van de btw-groep afzonderlijke btw-aangiften blijven indienen en zowel binnen als buiten hun groep nog steeds als belastingplichtigen worden geïdentificeerd, aangezien alleen de enkele belastingplichtige die aangiften mag indienen [arrest van 17 september 2014, Skandia America (USA),filial Sverige, C‑7/13, EU:C:2014:2225, punten 28 en 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
4. Literatuur
- M.J. van Luijt en M. Morawski, Het einde van extraterritoriale fiscale eenheid btw?, WFR 2023/317
- C.L. van Lindonk, De fiscale eenheid in de omzetbelasting, WFR 1989/313
- A.H. Bomer, Naheffingsaanslag ten onrechte ten name van fiscale eenheid?, Btw-Bulletin 1997, nr. 5
- M.P. Tielemans, Economische verwevenheid voor fiscale eenheid nader bepaald, Btw Brief 1996, nr. 1
- F.L.J. Vervaet, De consequenties van de fiscale eenheid btw, Btw Brief 1996 nr 12
- G.C. Bulk, Naheffingaanslag btw aan fiscale eenheid, Btw Brief 1997 nr 8/9
- R.R.J.M. Keijsers, Fiscale eenheid tussen een stichting en een publiekrechtelijk lichaam, Btw brief 1997 nr. 12
- G.C. Bulk, Economische verwevenheid zonder grenzen, Btw Brief 1998 nr. 4
- Stichtingen en (in?) de fiscale eenheid, Btw-brief 1991, nr. 1
- C.M. Ettema en A. Schippers, Jurisprudentie over de fiscale eenheid btw, WFR 2000/1829
- A.J.M. Eekhout, De fiscale eenheid in de omzetbelasting, het criterium economische verwevenheid, WFR 1983/1274
- D.G. van Vliet, Stichtingen en fiscale eenheid omzetbelasting, WFR 1991/461
- Schmidt, Muller en Stocker, Die Organschaft
- J.T. Sanders, De fiscale eenheid in de btw: are you experienced?, Btw Brief 1999, nr. 1
- R.N.F. Zuidgeest, De koepelvrijstelling als alternatief voor de fiscale eenheid btw, WFR 2006, nr. 6673, blz 618
- G.J. van Burggen en R.J. van der Zwan, Economische verwevenheid via het buitenland niet altijd mogelijk, Btw Brief 1999, nr. 5
- K.M. Braun, Fiscale eenheid over de grens en vaste inrichting, Btw-bulletin 2002, nr. 5
- J.M.F. Finkensieper, Fiscale eenheid vennootschapsbelasting, en omzetbelasting, WFR 1989, nr. 5860, blz. 346
