Table of Contents
Ieder
1. Aantekeningen
1.1 Sub thema's
- Organisatie van kapitaal en arbeid is niet vereist. HR 11 maart 1992, nr. 27739, BNB 1992/173.
- Begrip ieder komt overeen met begrip ieder in de richtlijn. Zie concl. AG in BNB 20-04/66, punt 4.2.2
- Begrip belastingplichtige komt overeen met begrip ondernemer. Zie concl. AG in BNB 2004/66, punt 4.2
- Het begrip “ieder” is nodig om gramaticaal een onderwerp te definiëren dat potentieel als belastingplichte kan fungeren.
- Er staat niet “persoon” i.p.v. “ieder” omdat tot de potentiële belastingplichtigen ook niet-personen zoals bijvoorbeeld feitelijke samenwerkingsverbanden behoren.
- Dus; het begrip “ieder” omvat ook letterlijk alles en iedereen.
- Omvat het begrip “ieder” ook alle combinaties die nog niet bestaan (BV's, NV's in oprichting)
Stel je voor: een wereld waarop slechts 3 personen leven: A, B en C. A en B fungeren bovendien als een samenwerkingsverband (feitelijk samenwerkingsverband, maatschap of een kapitaalsvennootschap). Als “ieder” vallen dan te definiëren: A B A + B C Eventuele andere combinaties van A, B en/of C.
Probleem: dan is dus iedere potentiële samenwerking een ieder (zoals Chang in China met Gert-Jan in Nederland).
Het begrip “zelfstandig” is vervolgens bedoeld om het begrip “ieder” in te perken. Het begrip “economische activiteiten” geeft vervolgens een verdere inperking van het begrip “ieder”.
- Had er niet moeten staan: “iedere entiteit”.
- Zou het begrip “zelfstandig” niet (moeten) veronderstellen dat er een “afgescheiden vermogen” tot stand is gebracht. Bij maatschappen zie je bijvoorbeeld dat de inbreng verplicht is, bij kapitaalsvennootschappen zie je een verplicht minimum kapitaal. Zou een feitelijk samenwerkingsverband kunnen bestaan als het geen min of meer afgescheiden vermogen heeft? Maw, je moet iets bij elkaar brengen om (tezamen) zelfstandig economische activiteiten te kunnen verrichten.
19/10/2004
A. Ieder vervult slechts grammaticale functie in 4-1 6e Rl en heeft geen functie
B. Onder welk criterium vd bel pl behoort het gezamenlijk jegens derden (naar buiten toe/niet in eigen kring) optreden uit de Ned jurisprudentie?
- Valt niet onder ieder, nl. zuiver grammaticaal
- Valt mogelijk onder zelfst, indien niet alleen ondergeschikt, maar ook nevengeschikt (vgl. r.o. 8 Heerma, hieruit zou misschien geconcludeerd worden dat nevengeschikt ook onder zelfst valt)
- Valt mogelijk onder eco act, negatieve keuze wellicht. Eco act is object toets van bel pl, maakt dus niet uit wie eco act verricht jegens derden (sam werk verb of participant). Is dus subject toets, zelfstandig of toch ieder? Ieder als zelfst uitsluitend ondergeschikt is.
C. Handelingen = eco act, want art. 4-3 6e Rl zegt ieder die incidenteel een handeling verricht die behoort tot de in lid 2 bedoelde (eco; toevoeging AvD/GJvN) act
D. Prestaties = economisch verkeer. Prestaties niet in het economisch verkeer bestaan niet, namelijk niet verricht door als zodanig optredende belastingplichtige E. Eco act is dus ruimer dan eco verkeer (vb houden aandelen wel eco act, geen eco verkeer) F. Eco verkeer impliceert handelingen/prestaties + naar buiten toe G. Bovenstaande zou eerdere theorie m.b.t. 'ieder' omver kunnen werpen H. De vraag die nog moet worden beantwoord is immers 'wie' zelfstandig de eco act verricht? Daarop kan het antwoord zijn: 'ieder, die'; heeft 'die' nog een functie?
- Ondanks uitzakken stichting vormen twee stichtingen tezamen toch 1 entiteit? Hof Den Haag, 20 april 2001, nr. 99/1783, V-N 2002, nr. 16.19.
2. Regelgeving
3. Jurisprudentie
- Grzera
HvJ 3 april 2025, Zaak C-213/24, E. T. v Dyrektor Izby Administracji Skarbowej we Wrocławiu (Grzera), ECLI:EU:C:2025:238
28 Dienaangaande moet eraan worden herinnerd dat het begrip „belastingplichtige” door de in artikel 9 van de btw-richtlijn gebruikte bewoordingen – met name „eenieder” – ruim gedefinieerd wordt met de nadruk op de zelfstandigheid in de uitoefening van een economische activiteit, in die zin dat alle natuurlijke personen en – zowel publiekrechtelijke als privaatrechtelijke – rechtspersonen en entiteiten zonder rechtspersoonlijkheid die objectief gezien de criteria van die bepaling vervullen, als btw-plichtigen worden beschouwd [arrest van 16 september 2020, Valstybinė mokesčių inspekcija (Overeenkomst voor een gezamenlijke activiteit), C‑312/19, EU:C:2020:711, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
29 Om te bepalen wie in omstandigheden als in het hoofdgeding moet worden beschouwd als „belastingplichtige” voor de btw, moet worden nagegaan wie de betrokken economische activiteit zelfstandig heeft uitgeoefend. Het criterium van zelfstandigheid ziet immers op de vraag aan welke concrete persoon of entiteit de handeling in kwestie moet worden toegerekend, waarbij er bovendien over moet worden gewaakt dat de afnemer rechtszekerheid heeft over de uitoefening van zijn eventueel recht op aftrek. Daartoe moet, zoals reeds in punt 23 van het onderhavige arrest is opgemerkt, worden nagegaan of de betrokken persoon of entiteit de activiteit in eigen naam, voor eigen rekening en onder eigen verantwoordelijkheid verricht, en of deze het aan die activiteiten verbonden economische risico draagt [arrest van 16 september 2020, Valstybinė mokesčių inspekcija (Overeenkomst voor een gezamenlijke activiteit), C‑312/19, EU:C:2020:711, punten 40 en 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
35 Vervolgens kan worden opgemerkt dat uit de door de verwijzende rechter aangehaalde bepalingen van het wetboek familie‑ en voogdijrecht waarin de gemeenschappelijke goederen worden gedefinieerd en geregeld, als zodanig niet lijkt te kunnen worden afgeleid dat de wettelijke gemeenschap die eigenaar is bij de verkoop van een gemeenschappelijk goed, in eigen naam, voor eigen rekening, en onder eigen verantwoordelijkheid handelt, en het economische risico van de verkoop draagt.
(…)
36 Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt echter dat de nationale praktijk het mogelijk maakt om een maatschap zonder rechtspersoonlijkheid als een zelfstandige belastingplichtige te behandelen door haar te beschouwen als de tot voldoening van de btw gehouden entiteit, los van elk van haar vennoten.
37 Aangezien volgens de door de verwijzende rechter en E. T. uiteengezette bepalingen van Pools recht voor de verkoop van een gemeenschappelijk goed de toestemming van elk van de echtgenoten is vereist, en de ene of de andere echtgenoot niet bevoegd is om namens de gemeenschap op te treden, lijken beide echtgenoten bij de betrokken verkopen samen te hebben gehandeld, en zijn zij dus, onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, jegens derden (kopers en overheidsinstanties), en naar buiten toe niet elk zelfstandig naar buiten getreden, hetgeen een relevante factor is voor de identificatie van de belastingplichtige [zie in die zin arresten van 12 oktober 2016, Nigl e.a., C‑340/15, EU:C:2016:764, punten 30 en 34, en 16 september 2020, Valstybinė mokesčių inspekcija (Overeenkomst voor een gezamenlijke activiteit), C‑312/19, EU:C:2020:711, punten 43‑46].
38 Bovendien, en hoewel dit bij nevenhandelingen bij de economische activiteit die tot belastingplicht leidt, niet doorslaggevend is [zie in die zin arresten van 12 oktober 2016, Nigl e.a., C‑340/15, EU:C:2016:764, punten 31 en 32, en 16 september 2020, Valstybinė mokesčių inspekcija (Overeenkomst voor een gezamenlijke activiteit), C‑312/19, EU:C:2020:711, punt 46], kan worden opgemerkt dat de twee echtgenoten blijkens de verwijzingsbeslissing ook samen de lastgevingsovereenkomst hebben gesloten met de gemachtigde en samen de lokale autoriteiten hebben verzocht om een recht van overpad in te stellen om toegang te geven tot de betrokken percelen.
39 Ten slotte staat het aan de verwijzende rechter om na te gaan of, gelet op de regeling van de aansprakelijkheid van de echtgenoten in het kader van hun activiteiten, de wettelijke gemeenschap, en niet elke echtgenoot afzonderlijk, het aan de verkoop van de betrokken gronden verbonden economische risico droeg. - Digipolis
HvJ 25 februari 2026, Zaak T-575/24, Belgische Staat/Federale Overheidsdienst Financiën tegen Digipolis Antwerpen AG, District09 AG, ecli:EU:T:2026:156
41. De btw-richtlijn kent een zeer ruime werkingssfeer toe aan de btw. Het begrip „belastingplichtige” wordt namelijk door de in artikel 9, lid 1, van de btw-richtlijn gebruikte bewoordingen – met name „eenieder” – ruim gedefinieerd met de nadruk op de zelfstandigheid in de uitoefening van een economische activiteit, in die zin dat alle natuurlijke personen en – zowel publiekrechtelijke als privaatrechtelijke – rechtspersonen en entiteiten zonder rechtspersoonlijkheid die objectief gezien de criteria van die bepaling vervullen, als belastingplichtigen worden beschouwd en dat het begrip „economische activiteit” zelf ruim wordt uitgelegd als zijnde alle werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter en de exploitatie van een lichamelijke of onlichamelijke zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen. Het bestaan van een dergelijke zelfstandige activiteit rechtvaardigt de kwalificatie als belastingplichtige (zie in die zin arrest van 3 april 2025, Grzera, C‑213/24, EU:C:2025:238, punten 18 en 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

