Site Tools


belastingplichtige:zelfstandig

Zelfstandig

Aantekeningen


  • Česká síť
    HvJ 11 december 2025 C-796/23, Česká síť, ECLI:EU:C:2025:963
    30 Om te bepalen wie moet worden beschouwd als „belastingplichtige” voor bepaalde belastbare handelingen, moet worden nagegaan wie de betrokken economische activiteit zelfstandig heeft uitgeoefend. Het criterium van zelfstandigheid betreft namelijk de vraag aan welke concrete persoon of entiteit de handeling in kwestie moet worden toegerekend, waarbij bovendien moet worden gewaarborgd dat de afnemer rechtszekerheid heeft met betrekking tot de uitoefening van zijn eventuele recht op aftrek (zie in die zin arrest van 16 februari 2023, DGRFP Cluj, C‑519/21, EU:C:2023:106, punt 70 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
    31 Uit vaste rechtspraak volgt dat daarvoor moet worden nagegaan of de betrokken persoon een economische activiteit in eigen naam, voor eigen rekening en onder zijn eigen verantwoordelijkheid verricht, en of hij het aan die activiteit verbonden economische risico draagt (arrest van 16 februari 2023, DGRFP Cluj, C‑519/21, EU:C:2023:106, punt 71 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
    32 Uit de rechtspraak van het Hof volgt eveneens dat wanneer een persoon in de betrekkingen met derden alleen handelt, in eigen naam en voor eigen rekening, en als enige het aan de betrokken belastbare handelingen verbonden economische risico draagt, de omstandigheid dat hij een overeenkomst heeft gesloten waarin hij is aangewezen als persoon die in de betrekkingen met derden namens alle overeenkomstsluitende personen of de bij die overeenkomst opgerichte entiteit handelt, geen invloed kan hebben op zijn hoedanigheid van belastingplichtige [zie in die zin arrest van 16 september 2020, Valstybinė mokesčių inspekcija (Overeenkomst voor een gezamenlijke activiteit), C‑312/19, EU:C:2020:711, punten 43‑47].
    33 Bovendien volstaat zelfs nauwe samenwerking tussen meerdere ondernemingen niet om hun zelfstandigheid in de zin van artikel 9, lid 1, van richtlijn 2006/112 ter discussie te stellen. In welke vorm ondernemingen hun samenwerking gieten is namelijk een organisatorische keuze van die ondernemingen. Enkel op grond daarvan kan niet worden geconcludeerd dat deze ondernemingen hun activiteiten niet zelfstandig verrichten of dat zij niet het aan hun economische activiteit verbonden economische risico dragen (zie in die zin arrest van 12 oktober 2016, Nigl e.a., C‑340/15, EU:C:2016:764, punten 31 en 32).
  • Digipolis
    HvJ 25 februari 2026, Zaak T-575/24, Belgische Staat/Federale Overheidsdienst Financiën tegen Digipolis Antwerpen AG, District09 AG, ecli:EU:T:2026:156
    58 Zoals de advocaat-generaal in punt 54 van zijn conclusie in herinnering heeft gebracht, moet het zelfstandigheidscriterium, net als het begrip „belastingplichtige”, ruim worden uitgelegd.
    59 Dezelfde beoordelingscriteria voor het in artikel 9, lid 1, van de btw-richtlijn gestelde vereiste van zelfstandigheid in de uitoefening van de economische activiteiten kunnen gelden voor publiekrechtelijke personen en particulieren (arrest van 29 september 2015, Gmina Wrocław, C‑276/14, EU:C:2015:635, punt 35).
    60 Om te beoordelen of een opdrachthoudende vereniging als Digipolis zelfstandig economische activiteiten verricht, moet worden nagegaan of zij zich in de uitoefening van die activiteiten in een verhouding van ondergeschiktheid bevindt ten aanzien van haar leden (zie in die zin arrest van 29 september 2015, Gmina Wrocław, C‑276/14, EU:C:2015:635, punt 33).
    61 Dienaangaande moet, om te bepalen of er sprake is van een ondergeschiktheidsverhouding, worden nagegaan of de betrokken persoon zijn activiteiten in eigen naam, voor eigen rekening en onder zijn eigen verantwoordelijkheid verricht en of hij het aan die activiteiten verbonden bedrijfsrisico draagt [zie arresten van 29 september 2015, Gmina Wrocław, C‑276/14, EU:C:2015:635, punt 34, en 21 december 2023, Administration de l’enregistrement, des domaines et de la TVA (Btw – Lid van een raad van bestuur), C‑288/22, EU:C:2023:1024, punt 52].
    62 Om tot de slotsom te komen dat de activiteiten van marktdeelnemers die geen deel uitmaakten van het staatsapparaat zelfstandig werden verricht, is in de rechtspraak in aanmerking genomen dat die marktdeelnemers op geen enkele wijze hiërarchisch ondergeschikt waren ten aanzien van de overheid en dat zij voor hun eigen rekening en onder hun eigen verantwoordelijkheid handelden, vrijelijk de voorwaarden regelden waaronder zij hun werkzaamheden uitoefenden en zelf de vergoedingen ontvingen waaruit zij hun inkomen haalden (zie arrest van 29 september 2015, Gmina Wrocław, C‑276/14, EU:C:2015:635, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Uit de rechtspraak volgt ook dat met elkaar overeenstemmende economische belangen tussen een vereniging en de leden daarvan niet volstaan om vast te stellen dat deze vereniging de betrokken activiteit niet „zelfstandig” verricht (arrest van 17 december 2020, WEG Tevesstraße, C‑449/19, EU:C:2020:1038, punt 32). 63 Uit de rechtspraak volgt voorts dat op basis van de omstandigheid dat de betrokkene niet in eigen naam en voor eigen rekening handelt (zie in die zin arrest van 16 februari 2023, DGRFP Cluj, C‑519/21, EU:C:2023:106, punten 74‑77), of dat hij niet de verantwoordelijkheid en het bedrijfsrisico van de betreffende handeling draagt [arresten van 18 oktober 2007, Van der Steen, C‑355/06, EU:C:2007:615, punten 23‑26, en 13 juni 2019, IO (Btw – Werkzaamheden als lid van een raad van commissarissen), C‑420/18, EU:C:2019:490, punten 42 en 43], kan worden uitgesloten dat deze handeling zelfstandig is verricht. 64 Volgens vaste rechtspraak moet het begrip „belastingplichtige”, gelet op het doel van de btw-richtlijn om de btw-grondslag eenvormig en overeenkomstig regels van de Europese Unie te bepalen, in alle lidstaten op uniforme wijze worden uitgelegd en uitsluitend worden beoordeeld op grond van de in artikel 9, lid 1, van die richtlijn neergelegde criteria (zie arrest van 3 april 2025, Grzera, C‑213/24, EU:C:2025:238, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak). 65 Niettemin kan het nuttig zijn om rekening te houden met de bepalingen van nationaal recht om vast te stellen of in omstandigheden als die van het hoofdgeding is voldaan aan de criteria op grond waarvan kan worden aangenomen dat een economische activiteit zelfstandig is uitgeoefend (arrest van 3 april 2025, Grzera, C‑213/24, EU:C:2025:238, punt 32). Hoewel het uiteindelijk aan de verwijzende rechter staat, die als enige bevoegd is om de feiten te beoordelen en het nationale recht uit te leggen, om te bepalen of de betrokken activiteit zelfstandig is uitgeoefend, is het Gerecht, dat de verwijzende rechter een nuttig antwoord dient te verschaffen, bevoegd om op basis van de stukken van het hoofdgeding en de ingediende opmerkingen aanwijzingen te geven die de nationale rechter in staat kunnen stellen in het concrete geschil dat hem is voorgelegd uitspraak te doen (zie in die zin arresten van 12 mei 2016, Gemeente Borsele en Staatssecretaris van Financiën, C‑520/14, EU:C:2016:334, punt 32, en 3 april 2025, Grzera, C‑213/24, EU:C:2025:238, punt 33).
    66 In casu was Digipolis – ook al oefende zij haar activiteiten uit in het kader van een overdracht van bevoegdheden door haar leden, die het volledige maatschappelijk kapitaal in handen hadden, en bestonden haar bestuursorganen uit vertegenwoordigers van haar leden, waardoor haar autonomie feitelijk werd beperkt – een van haar leden onafhankelijke publieke rechtspersoon met haar eigen statuten, zetel, organen, kapitaal, vermogen, begroting en werknemers. Uit deze omstandigheden lijkt dus naar voren te komen dat zij geen interne structuur van haar leden was en niet in die leden was geïntegreerd, maar over een voldoende organisatorische vrijheid beschikte met betrekking tot de menselijke en materiële middelen voor de uitoefening van haar activiteiten.

Regelgeving

  • Besluit van 28 april 2021, nr. 2021-9403, Stcrt. 2021, nr. 22627, Omzetbelasting. Btw-heffing bij werkzaamheden van toezichthouders en van leden van diverse commissies
  • Rapport Projectgroep BCF Ministerie van Financien, BTW-compensatiefonds Samenwerkingsverbanden, April 2002

Jurisprudentie

  • HR 24 november 2017, 16/00961, (Zilverbaren), ECLI:NL:HR:2017:2983, NLF 2017/286
  • HvJ 13 juni 2019, C-420/18 (IO), ECLI:EU:C:2019:490, NLF 2019/1471
  • HR 26 juni 2020, 18/02684, (Bezwaarcommissie), ECLI:NL:HR:2020:1143, NLF 2020/1492
  • HR 27 november 1991, nr. 26.156, BNB 1992/60 (Geen toerekening werkzaamheden dochtermaatschappij aan moedermaatschappij)
  • Conclusie van advocaat-generaal A. Rantos van 16 mei 2024, C-184/23, Finanzamt T-II, ECLI:EU:C:2024:416
    63. Uit deze rechtspraak blijkt dat het feit dat een economische activiteit „zelfstandig” wordt verricht volgens de bewoordingen van artikel 4, lid 1, van de Zesde richtlijn weliswaar een noodzakelijke voorwaarde is om een persoon als belastingplichtige aan te merken, maar dat dit er niet aan in de weg staat dat een entiteit die niet aan deze voorwaarde voldoet toch binnen de werkingssfeer van de btw valt wanneer zij tot een btw-groep behoort en dus deel uitmaakt van één enkele belastingplichtige in de zin van artikel 4, lid 4, van deze richtlijn.
    64. De vraag of voldaan is aan de voorwaarde dat een economische activiteit „zelfstandig” wordt verricht, als bedoeld in artikel 4, lid 1, van deze richtlijn, en de rechtsgevolgen van de deelneming aan een btw-groep vormen dus twee afzonderlijke rechtsvragen die niet noodzakelijkerwijs met elkaar verband houden. Bijgevolg is het al dan niet voldoen aan deze voorwaarde niet van invloed op deze gevolgen.
  • HR 25 juli 2000, nr. 35.888, BNB 2000/307
    Aantekening: Gelieerdheid
  • HvJ 18 november 2004, nr. C-284/03, Temco
    Aantekening: Gelieerdheid is niet van belang voor de kwalificatie van de prestaties (zie ook conclusie AG)
  • HvJ 29 mei 1997, nr. C-63/96, Werner Skripalle
    Aantekening: Gelieerdheid
  • Tariefcommissie 23 november 1964, nr. 9502 O, BNB 1965/22 (Combinatie drafpaarden)
  • Tariefcommissie, 9 december 1952, nr. 6193 O, BNB 1953/159 (Vier ondernemers graven een vijver en sloot)
  • Tariefcommissie 17 november 1952, nr. 6200 O, BNB 1953/62 (Tijdelijke combinatie ondernemers)
  • Hof Arnhem, 31 januari 1980, nr. O 60 (1978), BNB 1981/152 (Inbreng onverdeelde helft vissersschip in VOF)
  • Tariefcommissie 14 mei 1973, nr. 10 462 O, BNB 1974/33 (Maatschap belastingadviesbureau is ondernemer)
  • Tariefcommissie 26 maart 1970, nr. 10 174 O, BNB 1970/103 (Combinatie stukadoor verricht 3-1-c)
  • Tariefcommissie 6 november 1953, nr. 7134 O, BNB 1953/347 (Aanslag op naam maatschap)
  • Tariefcommissie 8 april 1975, nr. 10 845 O, BNB 1975/174 (Autorijschool in vorm VOF is ondernemer)
  • HR 3 oktober 1979, nr. 19.473, BNB 1979/312 (Auto behoort tot bedrijfsvermogen autorijschool)
  • HR 6 november 1985, nr. 23.026, V-N 1985/2536 (Fiscale eenheid is niet bedoeld om combinaties van personen als eenieder aan te merken)
  • Tariefcommissie 28 november 1977, nr. 11 177 O'68, BNB 1978/89 (Loonslagers)

Literatuur


belastingplichtige/zelfstandig.txt · Last modified: by avdoesum