Table of Contents
Inhoudingsvrijstelling
1. Aantekeningen
2. Regelgeving
3. Jurisprudentie
- HR 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1162 en ECLI:NL:HR:2025:1163 // - Geen inhoudingsvrijstelling dividendbelasting bij uitkering aan Belgische houdstervennootschappen//
Vandaag, vrijdag 18 juli 2025, heeft de Hoge Raad twee arresten gewezen over de inhoudingsvrijstelling voor de dividendbelasting. Het zijn de eerste procedures waarin de in 2018 gewijzigde antimisbruikbepaling in de dividendbelasting wordt getoetst aan het Unierechtelijke misbruikbegrip. De Hoge Raad heeft in beide zaken beslist dat de inhoudingsvrijstelling niet van toepassing is.
De feiten en het geschil
De samenhangende procedures betreffen twee in België gevestigde vennootschappen (X BVBA en X NV) waarvan de (on)middellijke aandeelhouders in België wonende families zijn. Beide Belgische vennootschappen houden via een Nederlandse tussenhoudstermaatschappij een indirect belang in een Nederlandse CV.
Zie ook het volgende structuurschema.
De eerste procedure (ECLI:NL:HR:2025:1162) gaat over X BVBA. Deze vennootschap houdt een belang van 38,71% in een Nederlandse tussenhoudster (in het structuurschema ‘A BV', in het arrest 'de BV'). Verder beschikt de vennootschap niet over kantoorruimte in België en heeft geen personeel in dienst. De vennootschap heeft naast het aandelenbelang slechts twee oldtimers.
De tweede procedure (ECLI:NL:HR:2025:1163) gaat over X NV. X NV houdt naast een aandelenbelang van 24,39% in een Nederlandse tussenhoudster ook aandelen in andere vennootschappen. De familie verricht managementwerkzaamheden respectievelijk juridische en administratieve werkzaamheden voor onder meer belanghebbende. Zij verrichten die werkzaamheden vanuit een daarvoor ingerichte werkruimte in hun woning. Hiervoor wordt jaarlijks een managementvergoeding in rekening gebracht aan X NV. X NV is betrokken bij de ondernemingsactiviteiten van een aantal van die vennootschappen. Van actieve betrokkenheid bij de ondernemingsactiviteiten van de Nederlandse tussenhoudster is echter geen sprake.
In 2018 keert de Nederlandse tussenhoudstermaatschappij dividend uit aan de Belgische vennootschappen. Waren deze laatsten in Nederland gevestigd geweest, dan zou de deelnemingsvrijstelling (art. 13 Wet Vpb 1969) van toepassing zijn geweest en had een beroep kunnen worden gedaan op de inhoudingsvrijstelling van art. 4, lid 2 Wet Div.bel. 1965 in binnenlandse situaties.
Het geschil waarover de Hoge Raad een oordeel geeft, is of de in België gevestigde vennootschappen een beroep kunnen doen op de inhoudingsvrijstelling van art. 4, lid 2 Wet Div.bel. 1965, of dat dit wordt verhinderd door art. 4, lid 3, onderdeel c Wet Div.bel. 1965 (voor buitenlandse situaties). Dit laatste voorschrift sluit de toepassing van de inhoudingsvrijstelling uit indien:
- Het hoofddoel of een van de hoofddoelen van het houden van het belang in het dividenduitkerende lichaam is om de heffing van dividendbelasting bij een ander te ontgaan (“subjectieve toets”); en
- Sprake is van een kunstmatige constructie of transactie of reeks van constructies of samenstel van transacties (“objectieve toets”).
In beide procedures heeft Hof Amsterdam geoordeeld dat de inhoudingsvrijstelling in de dividendbelasting niet van toepassing is, omdat is voldaan aan de misbruiktoets. A-G Wattel heeft conclusie genomen in deze twee samenhangende procedures en concludeerde tot verwerping van de cassatieberoepen, omdat Hof Amsterdam de juiste maatstaf heeft aangelegd en de feitelijke oordelen niet onbegrijpelijk zijn. In zijn conclusie is de A-G uitgebreid ingegaan op de Unierechtelijke misbruiktoets. Via de KC update van 15 juni 2023 hebben wij jullie geïnformeerd over die conclusie van A-G Wattel.
In een recente zaak over de technisch ab-regeling ex art. 17 lid 3 sub b Wet Vpb 1969 had de Hoge Raad al een nationale anti-misbruikmaatregel aan de Unierechtelijke antimisbruikkaders getoetst. De Hoge Raad knoopte toen bij zijn oordeel aan bij de meest recente jurisprudentie van het Hof van Justitie EU, zoals het arrest Nordcurrent van 3 april 2025 (C-228/24), waarin het Hof aangeeft dat steeds aan de hand van alle feiten en omstandigheden van het geval moet worden onderzocht of sprake is van misbruik van Unierecht. Zie hierover ook de KC update extra van 25 april 2025.
De beslissing van de Hoge Raad
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie van de belanghebbende in beide zaken ongegrond. De uitspraken van het hof blijven in stand.
Uit de vandaag gewezen arresten blijkt (r.o. 5.2.2) dat het technisch ab arrest van 25 april 2025 ook van belang is voor de onderhavige procedures. Aan het toetsingskader van 25 april 2025 wordt het volgende toegevoegd (we citeren uit het X NV arrest):
‘5.2.3 Aan dit toetsingskader wordt het volgende toegevoegd.
Uit de in artikel 1, lid 2, tweede alinea, van de moeder-dochterrichtlijn gegeven precisering volgt dat een constructie uit verscheidene stappen of onderdelen kan bestaan. In dit verband blijkt uit overweging 8 van de preambule van de moeder-dochterrichtlijn dat het mogelijk is dat slechts bepaalde stappen of onderdelen van zo’n constructie kunstmatig zijn en daarom onder de antimisbruikbepaling vallen. Het kan dan ook niet worden uitgesloten dat een constructie is opgezet om zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen, maar dat deze tevens stappen of onderdelen bevat die als kunstmatig moeten worden beschouwd.
Verder geldt dat de vraag of sprake is van een concern dat als een kunstmatige constructie kan worden beschouwd als omschreven in rechtsoverweging 4.4.3 van het arrest van 25 april 2025, moet worden beantwoord aan de hand van een onderzoek dat niet is beperkt tot de feiten en omstandigheden die zich voordoen ten tijde van het opzetten van de constructie. Gelet op de context van artikel 1, leden 2 en 3, van de moeder-dochterrichtlijn kan namelijk evenmin worden uitgesloten dat een constructie die aanvankelijk is opgezet om zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen, vanaf een bepaald moment als kunstmatig moet worden beschouwd omdat die constructie ondanks een wijziging in de omstandigheden in stand is gehouden of omdat als kunstmatig aan te merken stappen of onderdelen daaraan zijn toegevoegd. Daarom kunnen bij de beoordeling of de constructie dan wel de desbetreffende stap of het desbetreffende onderdeel ervan kunstmatig is, mede feiten en omstandigheden in aanmerking worden genomen die zich voordoen of hebben voorgedaan na de totstandkoming van de constructie.’
KC observaties
Ook in de vandaag gewezen arresten toetst de Hoge Raad de nationale maatregel aan de Unierechtelijke antimisbruikkaders om te oordelen dat misbruik in het onderhavige feitenstel wel aan de orde is. Het arrest van de Hoge Raad benadrukt derhalve, in navolging van het technisch ab arrest, het belang van de werking van de EU-verdragsvrijheden en de EU-misbruikdoctrine die binnen het toepassingsbereik van het supranationale EU-recht vallen.
Ten aanzien van X BVBA is van belang dat de Hoge Raad (r.o. 5.3.2) aangeeft dat een aanwijzing van misbruik in de zin van het Unierecht is dat na een wijziging in de omstandigheden (in dit geval: de vervreemding van aandelen), de structuur met de tussengeschakelde buitenlandse vennootschap in stand is gehouden. Een structuur die is opgezet om zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen, kan vanaf een bepaald moment als kunstmatig worden beschouwd omdat die constructie ondanks een wijziging in de omstandigheden in stand is gehouden.
Ten aanzien van X NV merkt de Hoge Raad op (r.o. 5.3.2 en 5.4.1) dat de enkele omstandigheid dat belanghebbende een materiële onderneming drijft, niet reeds meebrengt dat van misbruik geen sprake kan zijn. Bepalend is of de deelneming functioneel aan die materiële onderneming kan worden toegerekend.
