Table of Contents
Fictieve prestaties
1. Aantekeningen
HR 25 maart 2022, nr. 19/05929, ecli:NL:HR:2022:438, verhuur vakantiewoning / leegstand
4.2.1 In dit verband is van belang dat het privégebruik van een goed slechts bij wijze van uitzondering belastbaar is. (Vgl. HvJ 25 mei 1993, Gerhard Mohsche, C-193/91, ECLI:EU:C:1993:203, punten 13 en 14.)
Leegstand sporthal: HR 10 januari 2020, 18/00350, BNB 2020/105, V-N 2020/5.15).
2. Regelgeving
2.1 Artikel 16 Btw-richtlijn - Fictieve leveringen
Artikel 16
Met een levering van goederen onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld,
- het door een belastingplichtige aan zijn bedrijf onttrekken van een goed voor eigen privédoeleinden of voor privédoeleinden van zijn personeel, of
- dat hij om niet verstrekt of, ←- Hier zit het verschil met artikel 26
- meer in het algemeen, voor andere dan bedrijfsdoeleinden bestemt,
ingeval met betrekking tot dat goed of de bestanddelen daarvan recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de BTW is ontstaan.
Met een levering van goederen onder bezwarende titel worden niet gelijkgesteld, onttrekkingen van goederen om voor bedrijfsdoeleinden te dienen als geschenken van geringe waarde of als monster.
Artikel 26
1. Met diensten verricht onder bezwarende titel worden de volgende handelingen gelijkgesteld:
a) het gebruiken van een tot het bedrijf behorend goed voor
- privédoeleinden van de belastingplichtige of van zijn personeel, of,
- meer in het algemeen, voor andere dan bedrijfsdoeleinden,
wanneer voor dit goed recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de BTW is ontstaan;
b) het om niet verrichten van diensten door de belastingplichtige voor
- eigen privédoeleinden of voor privédoeleinden van zijn personeel, of,
- meer in het algemeen, voor andere dan bedrijfsdoeleinden.
2. De lidstaten kunnen van lid 1 afwijken, mits deze afwijking niet tot verstoring van de mededinging leidt.
3. Jurisprudentie
3.1 Relevante jurisprudentie
- Armbrecht
- Bakcsi
- Lennartz
- Seeling
- QM, C-288/19
- GE Aircraft
3.2 Fictieve prestatie en vrijstelling
- Medicom: fictieve dienst is geen verhuur. Idem: Seeling.
- QM, C-288/19
38. Een handeling die overeenkomstig artikel 26, lid 1, onder a), van richtlijn 2006/112 wordt gelijkgesteld met een dienst onder bezwarende titel, kan immers geen „verhuur van een vervoermiddel” vormen in de zin van artikel 56, lid 2, eerste alinea, van deze richtlijn.
44 Uit de rechtspraak volgt namelijk dat het begrip verhuur met het oog op de toepassing van artikel 56,lid 2, eerste alinea, van richtlijn 2006/112 niet naar analogie kan worden uitgelegd door het gelijk testellen met een voordeel in natura, en dat het veronderstelt dat er sprake is van een in geld te betalenhuurprijs (zie in die zin arrest van 18 juli 2013, Medicom en Maison Patrice Alard, C‑210/11 enC‑211/11, EU:C:2013:479, punten 29 en 34).
45 Aan een dergelijke voorwaarde kan niet worden voldaan indien kosteloos gebruik van een tot hetbedrijf behorend goed zou worden gelijkgesteld met onder bezwarende titel overeenkomstig artikel 26, lid 1, onder a), van richtlijn 2006/112.
3.3 Fictieve prestatie en inhouding op loon
QM, C-288/19
CJEU 20 January 2021, Case C-288/19, QM v Finanzamt Saarbrücken, ECLI:EU:C:2021:32
30 Een dergelijk rechtstreeks verband kan in de betrekkingen tussen een werkgever en zijn werknemer de vorm aannemen van een gedeelte van de bezoldiging in contanten waarvan deze werknemer als tegenprestatie voor een dienst van die werkgever moet afzien (zie in die zin arresten van 16 oktober1997, Fillibeck, C‑258/95, EU:C:1997:491, punten 14 en 15, en 29 juli 2010, Astra Zeneca UK,C‑40/09, EU:C:2010:450, punt 29).
Opinion in QM
Opinion of Advocate General Szpunar of 17 September 2020, Case C‑288/19, QM v Finanzamt Saarbrücken, ECLI:EU:C:2020:736
17. Anders dan de Duitse regering in haar schriftelijke opmerkingen betoogt, volgt uit deze
rechtspraak vrij duidelijk dat in de betrekkingen tussen belastingplichtigen en hun personeel een
handeling slechts onder bezwarende titel wordt verricht wanneer een werknemer voor een goed of
dienst betaalt, hij afstand doet van een deel van zijn loon of een deel van zijn arbeid kan worden
beschouwd als tegenprestatie voor het van de werkgever ontvangen goed of de van de werkgever
ontvangen dienst.(6) In dit verband is het niet van belang dat de door de werkgever ten gunste van
de werknemer verrichte prestatie naar nationaal recht ter zake van de inkomstenbelasting wordt
geacht deel uit te maken van het inkomen van de werknemer.(7)
3.4 Aftrek als eis voor fictieve prestatie
QM, C-288/19
CJEU 20 January 2021, Case C-288/19, QM v Finanzamt Saarbrücken, ECLI:EU:C:2021:32
34 Zoals de advocaat-generaal in punt 35 van zijn conclusie heeft verklaard, kan een dienst die bestaat in het gebruik door een belastingplichtige van een tot het bedrijf behorend goed voor privédoeleinden of voor privédoeleinden van zijn personeel of, meer in het algemeen, voor andere dan bedrijfsdoeleinden, die op grond van artikel 26, lid 1, onder a), van richtlijn 2006/112 niet kan worden gelijkgesteld met een dienst onder bezwarende titel aangezien het goed in kwestie – in tegenstelling tot wat deze bepaling voorschrijft – geen recht op aftrek van de betaalde voorbelasting heeft doen ontstaan, subsidiair niet op grond van artikel 26, lid 1, onder b), van die richtlijn met een dergelijke dienst worden gelijkgesteld, omdat anders afbreuk zou worden gedaan aan de nuttige werking van die voorwaarde betreffende de aftrek van voorbelasting als bedoeld in de eerstgenoemde bepaling.
3.5 Fictieve prestaties correctie op aftrekrecht
HvJ 15 april 2010, nrs. C-538/08 en C-33/09 (X Holding BV en Oracle Nederland BV), BNB 2010/220, r.o. 37
37 Om deze vragen te beantwoorden, zij eraan herinnerd dat het in artikel 6, lid 2, van de Zesde richtlijn neergelegde recht op aftrek, als integrerend deel van de btw-regeling, een fundamenteel beginsel van het gemeenschappelijke btw-stelsel is, en in beginsel niet kan worden beperkt (zie arresten van 21 maart 2000, Gabalfrisa e.a., C‑110/98–C‑147/98, Jurispr. blz. I‑1577, punt 43; 8 januari 2002, Metropol en Stadler, C‑409/99, Jurispr. blz. I‑81, punt 42, en 26 mei 2005, Kretztechnik, C‑465/03, Jurispr. blz. I‑4357, punt 33).
3.6 Prestaties om niet
- HvJ EG 1 april 1982, nr. 89/81 (Hong Kong), BNB 1982/311, r.o. 9 en 10.(Jur. 1982, blz. 1277)
- HR 1 april 1987, nr. 23 732 (IJ-veren II), BNB 1987/189,
- HR 17 februari 1988, nr. 24 275 (British Tour operator), BNB 1988/147,
- HR 14 juni 1989, nr. 25 104 (Stichting Musische vorming), BNB 1989/245,
- HR 16 juni 1993, nr. 28 619 (Cultureel-Filosofische bibliotheek), BNB 1993/256,
- HR 25 januari 1995, nr. 29 652 (Radio I), BNB 1995/216,
- HR 30 augustus 1996, nr. 31 009 (Radio II), BNB 1996/391,
- HR 15 december 1999, nr. 34 958 (Zeehondencrèche), BNB 2000/128,
- HR 26 januari 2000, nr. 35 199 (Koninklijk Nederlands Watersport Verbond), V-N 2000/10.25
3.7 Fictieve prestatie doet geen aftrekrecht ontstaan
* Zonnepanelen Waterschap
HR 5 april 2024, nr. 22/00318, ECLI:NL:HR:2024:529]]
3.3.3 Artikel 3, lid 3, letter a, van de Wet geeft uitvoering aan artikel 16 van BTW-richtlijn 2006 en moet in overeenstemming met deze richtlijnbepaling worden uitgelegd. Het is buiten redelijke twijfel dat artikel 16 van BTW-richtlijn 2006 niet ziet op goederen die worden bestemd voor het verrichten van niet-economische handelingen waarvoor de betrokkene niet als belastingplichtige optreedt, en dat de btw die ter zake van de levering van deze goederen in rekening is gebracht en moet worden toegerekend aan het verrichten van die niet-economische handelingen, niet aftrekbaar is. Artikel 3, lid 3, letter a, van de Wet kan dus niet bewerkstelligen dat recht op aftrek van voorbelasting ontstaat ter zake van – zoals in de onderhavige zaak – de aanschaf en installatie van de zonnepanelen voor zover hiermee elektriciteit wordt opgewekt die de ondernemer gebruikt voor doeleinden waarvoor hij niet als ondernemer is aangemerkt.
3.8 Fictieve levering ongeacht status afnemer
- HvJ 25 april 2024, nr. C-207/23, Finanzamt X tegen Y KG
39 Om situaties van onbelast eindverbruik te vermijden, moet de verstrekking om niet van een goed dat aan het bedrijf is onttrokken achteraf worden belast, ongeacht wie de ontvanger is.
(…)
42 Hieruit volgt dat er op de heffing van btw over de in artikel 16, eerste alinea, van de btw-richtlijn bedoelde onttrekkingen van goederen die om niet worden verstrekt, geen andere uitzondering bestaat dan die voor het geven van geschenken van geringe waarde of monsters die onder toepassing van artikel 16, tweede alinea, van de btw-richtlijn vallen.
43 In het onderhavige geval kan de aan het bedrijf onttrokken en afgestane warmte echter niet worden beschouwd als een geschenk van geringe waarde of een monster in de zin van artikel 16, tweede alinea, van deze richtlijn.
44 Bovendien blijkt uit artikel 16, tweede alinea, van de btw-richtlijn dat deze geen onderscheid maakt naargelang de fiscale status van de ontvanger van monsters, en dat die status dan ook niet relevant is voor de toepassing van deze bepaling [zie in die zin met betrekking tot artikel 5, lid 6, tweede volzin, van de Zesde richtlijn (77/388), arrest van 30 september 2010, EMI Group, C‑581/08, EU:C:2010:559, punten 51 en 52].
46 Ten slotte heeft het Hof inderdaad in punt 68 van het arrest van 16 september 2020, Mitteldeutsche Hartstein-Industrie (C‑528/19, EU:C:2020:712), waar Y zich met name op beroept, geoordeeld dat werkzaamheden waarbij ten behoeve van een gemeente een voor het publiek opengestelde gemeentelijke weg wordt uitgebreid, maar die in het kader van zijn economische activiteit wordt gebruikt door de belastingplichtige die deze werkzaamheden om niet heeft verricht, alsook door het publiek, geen handeling vormen die moet worden gelijkgesteld met een levering van goederen onder bezwarende titel in de zin van artikel 5, lid 6, van de Zesde richtlijn (77/388) (dat overeenstemt met artikel 16 van de btw-richtlijn).
47 Die werkzaamheden kwamen evenwel ten goede aan de belastingplichtige die deze kosteloos had verricht en zij stonden in rechtstreeks verband met zijn gehele economische activiteit. Bovendien maakten de kosten van de in een eerder stadium afgenomen diensten die verband hielden met die werkzaamheden deel uit van de kosten van de in een later stadium door deze belastingplichtige verrichte handelingen. Daarentegen wijst niets erop dat de warmte die Y aan het bedrijf heeft onttrokken en om niet heeft afgestaan ook door Y zelf zou zijn gebruikt.
48 Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 16, eerste alinea, van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat wanneer een belastingplichtige de door hem opgewekte warmte om niet afstaat aan andere belastingplichtigen die deze voor hun economische activiteiten aanwenden, dit een onttrekking door deze belastingplichtige aan zijn bedrijf van een goed dat hij om niet verstrekt in de zin van deze bepaling vormt die kan worden gelijkgesteld met een levering van goederen onder bezwarende titel, en dat het daarbij geen verschil uitmaakt of die andere belastingplichtigen die warmte al dan niet gebruiken voor handelingen die hen recht geven op btw-aftrek.
3.9 Hiaat wet privegebruik auto
In een uitspraak van 18 augustus 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1094(verwijst naar een andere website)) over omzetbelasting en privégebruik van een door de werkgever aan de werknemer ter beschikking gestelde personenauto signaleerde de belastingkamer dat het vierde lid van artikel 25e AWR geen melding maakt van op aangifte voldane belasting, waartoe de omzetbelasting behoort. Die bepaling bevat een regeling voor gevallen waarin de inspecteur bij een onherroepelijke rechterlijke uitspraak in de proefprocedure, bedoeld in het eerste of tweede lid van artikel 25e AWR, geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld. Uit de tweede volzin van art. 25e lid 4 AWR volgt dat de inspecteur in zo’n geval binnen zes maanden na de kennisgeving van de collectieve uitspraak een teruggaaf verleent als het bezwaar betrekking heeft op ingehouden of op aangifte afgedragen belasting. De bepaling vermeldt niet op aangifte voldane belasting, zoals de omzetbelasting. De Hoge Raad oordeelde dat de wetgever dit kennelijk over het hoofd heeft gezien en heeft deze bepaling naar analogie van artikel 65 lid 2 AWR ook van toepassing geacht op belasting die op aangifte wordt voldaan.
3.10 Ratio Artikel 26
- GE Aircraft Services, r.o. 25
Allereerst zij eraan herinnerd dat artikel 26, lid 1, van de btw-richtlijn bepaalde handelingen waarvoor de belastingplichtige geen werkelijke tegenprestatie ontvangt, gelijkstelt met onder bezwarende titel verrichte diensten. Deze bepaling beoogt te verzekeren dat een belastingplichtige die een goed onttrekt of een dienst voor privédoeleinden van hemzelf of van zijn personeel verricht, hetzelfde wordt behandeld als een eindgebruiker die een goed of dienst van hetzelfde type afneemt. Daartoe verhindert artikel 26, lid 1, onder a), van deze richtlijn dat een belastingplichtige die de btw over de aankoop van een voor zijn bedrijf bestemd goed heeft kunnen aftrekken, geen btw betaalt wanneer hij dit goed voor privédoeleinden van hemzelf of van zijn personeel aan zijn bedrijfsvermogen onttrekt, en dus ongerechtvaardigde voordelen geniet in vergelijking met een eindgebruiker die het goed koopt en hierover btw voldoet. Om dezelfde reden verhindert artikel 26, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn dat een belastingplichtige, of diens personeelsleden, geen belasting hoeft te betalen over diensten van de belastingplichtige waarover een privépersoon wel btw zou hebben moeten betalen (zie in die zin arrest van 20 januari 2005, Hotel Scandic Gåsabäck, C‑412/03, EU:C:2005:47, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
3.11 Andere dan bedrijfsdoeleinden
Svilosa, C-535/24
30 In dit verband moet worden opgemerkt dat de handelingen van Svilosa zijn verricht met het oog op de invordering van haar schuldvordering op de stichting. Handelingen ten behoeve en in het belang van een onderneming kunnen niet worden geacht te zijn verricht voor andere dan bedrijfsdoeleinden. Opgemerkt zij dat het voordeel dat de stichting zou kunnen hebben getrokken uit de invorderingshandelingen van Svilosa, bestaande in de aflossing van een deel van de lening, slechts een indirect gevolg van de betrokken invorderingshandelingen is.
4. Literatuur
- D.G. van Vliet, Geen vergoeding, geen ondernemer, WFR 1983/5589, blz. 516
- A.E. de Moor, 'Het vergoedingsvereiste in de omzetbelasting' in: Van Dijck-bundel, FED, Deventer, 1988
- A. van Dongen, Heffing van btw op privé-gebruik, WFR 2005, 6643
- R.A. Wolf, Over verwervingen, teruggave en aftrek, WFR 2005, 6645
- H.W.M. van Kesteren en J.B.O. Bijl, Aftrek en handelingen die buiten het bereik van de btw blijven, WFR 2006, 6698
- A.J. van Doesum en H.W.M. van Kesteren, Aftrek van voorbelasting ter zake van handelingen buiten het kader van de onderneming, WFR 2011, 6928
