Table of Contents
Boete
1. Aantekeningen
1.1 Boete bij overlijden
- Een niet onherroepelijk vaststaande bestuurlijke boete vervalt wanneer de overtreder is overleden (art. 5:42, lid 1 Awb).
- Een onherroepelijk vaststaande boete vervalt voor zover deze op het moment van overlijden nog niet is betaald. (art. 5:42, lid 1 Awb)
- Boete nog niet onherroepelijk bij overlijden: boete vervalt. HR 16 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1224
1.1 Ne bis in idem
- Ne bis in idem beginsel geldt ook in belastingrecht. Gerechtshof Arnhem 12 juli 2006, nr. 05/4931
- Rechtbank Noord Holland, 8 november 2023, ecli:NL:RBNHO:2023:12916
32. Voor het opleggen van boetes geldt dat het bestuursorgaan geen bestuurlijke boete oplegt indien aan de overtreder wegens dezelfde overtreding reeds eerder een bestuurlijke boete is opgelegd (het ne bis in idem-beginsel zoals opgenomen in artikel 5:43 Awb). Als een boete is vernietigd voor een overtreding, kan daarna voor dezelfde overtreding niet opnieuw een boete worden opgelegd (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 137).
1.2 Doel verzuimboete
Een verzuimboete heeft tot doel een gebod tot nakoming van fiscale verplichtingen in te scherpen. Voor het opleggen van de verzuimboete is voldoende dat aan één of meer van deze verplichtingen niet is voldaan. Factoren als de mate van schuld en opzet zijn verder niet relevant. Bijzondere omstandigheden of afwezigheid van alle schuld kunnen aanleiding zijn tot matiging of het achterwege laten van de boete
1.3 Sanctie vs. terugbetalingsverplichting
Conclusie in C‑521/19 (CB)
28. Hoewel het Hof dit onderscheid in belastingzaken slechts uiterst zelden heeft genoemd, is het toch belangrijk. In de eerste plaats beschikken de lidstaten, ondanks het feit dat de verplichtingen omherstelmaatregelen en strafmaatregelen te nemen beide voortvloeien uit de voorrang van hetUnierecht(13) en de consequentie zijn van hun verplichting om de volle werking van richtlijn 2006/112te waarborgen(14), niet over dezelfde beoordelingsmarge. Wat betreft de verplichting om de toestand teherstellen geldt namelijk, aangezien dit een resultaatsverplichting is, dat de lidstaten de nodigemaatregelen moeten nemen om op zijn minst de toestand te herstellen zoals die zou zijn geweest( 15),terwijl wat betreft de verplichting om recidive met betrekking tot inbreuk op de btw-regels teontmoedigen geldt dat, omdat richtlijn 2006/112 niets zegt over de aard van de sancties die moetenworden vastgesteld, het aan de lidstaten is om de exacte sancties te bepalen, mits deze, zoals hierbovenaangegeven, doeltreffend, afschrikkend en evenredig zijn(16). In de tweede plaats moeten de lidstaten voorzien in de vaststelling van het eerste soort maatregel zonder dat er sprake is van schuld, terwijl zij belastingbetalers alleen moeten bestraffen als deze op zijn minst nalatig zijn geweest.(17)
1.4 Matiging
Voor een (verdere) vermindering van de boetes bestaat dan nog wel aanleiding indien de redelijke termijn waarbinnen de berechting in eerste feitelijke aanleg dient plaats te vinden, is overschreden. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de berechting niet binnen een redelijke termijn plaatsvindt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt aan op het moment dat vanwege het betrokken bestuursorgaan jegens de beboete persoon een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd.
1.5 Nalaten suppletie geen grond aannemen grove schuld
- Hof Den Bosch, 26 juli 2023, nr. 21/01081, ecli:NL:GHSHE:2023:2475
4.14. Anders dan de inspecteur in de aankondiging van de boete heeft vermeld is het feit dat belanghebbende heeft nagelaten een suppletie in te dienen geen bewijs voor het grofschuldig niet voldoen van de omzetbelasting ten tijde van de aangifte. Het overtreden van het voorschrift van artikel 67f AWR is een verwijt betreffende een (opzettelijk of) grofschuldig handelen en nalaten ten tijde van het doen van aangiften: de inspecteur moet grove schuld van belanghebbende zelf op die momenten bewijzen. 7 Het niet indienen van een suppletie nadat aangifte is gedaan levert derhalve geen bewijs op dat ten tijde van het doen van aangifte over het desbetreffende tijdvak grofschuldig omzetbelasting niet is voldaan.
1.6 Voorwaardelijke opzet
16. Voor het bestaan van voorwaardelijk opzet is niet alleen vereist dat eiser ten tijde van het doen van de aangifte de wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat daardoor te weinig belasting zou worden geheven, maar ook dat hij die kans toen bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).2 Voor de beantwoording van de vraag of (voorwaardelijk) opzet aanwezig is, is mede van belang dat bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de betrokkene dat gevolg heeft gewild of althans de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard.3 Dat de ten onrechte niet betaalde omzetbelasting zowel absoluut als relatief omvangrijk is, rechtvaardigt op zichzelf niet de conclusie dat eiser met opzet heeft gehandeld. Ook niet indien stelselmatig en langdurig te weinig belasting op aangifte zou zijn voldaan. Dat eiser zich ervan bewust had moeten zijn dat zijn betalingen op aangiften onjuist waren, is evenmin voldoende om hem de voor opzet vereiste bewustheid te verwijten.4
2. Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526 r.o. 3.4.5
3. Hoge Raad 3 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:97.
4. Hoge Raad 31 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:492.
1.7 Vrijwillige verbetering geen boete
- ecli:NL:HR:2021:1351
- paragraaf 24 BBBB
1.8 Grove schuld
Grove schuld doet zich voor indien aan de belastingplichtige een in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid kan worden verweten. Bij grove schuld had belanghebbende bij het doen van aangifte redelijkerwijs moeten of kunnen begrijpen dat dit tot gevolg kon hebben dat te weinig belasting zou worden geheven of betaald. De grove schuld moet bestaan op het tijdstip waarop de verschuldigde belasting uiterlijk had moeten zijn betaald (vgl. HR 31 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:492, BNB 2023/73).
De Inspecteur moet bewijzen op grond van welke feiten en omstandigheden hij heeft aangenomen dat aan de voor de aanwezigheid van grove schuld geldende vereisten is voldaan en dat die feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan (Hoge Raad, 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526./BNB 2022/68).
Zie ook: HR 6 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1135, rechtsoverweging 4.6.2.
1.9 Opzet
1.9.1 Bij niet (volledig) betalen van verschuldigde btw
- HR 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:973, r.o. 2.3.3.
Aan het vereiste van opzet in de zin van artikel 67f AWR wordt voldaan indien het handelen of nalaten van de belastingplichtige is gericht op het niet (volledig) betalen van de hiervoor bedoelde belasting. Voor de beboeting bij omzetbelasting betekent dit dat het handelen van de belastingplichtige moet zijn gericht geweest op het niet (volledig) betalen van het door hem in een tijdvak verschuldigde bedrag aan omzetbelasting dat hij – onder aftrek van de in artikel 15 van de Wet bedoelde omzetbelasting – op de voet van artikel 14 van de Wet op aangifte had moeten voldoen.
1.10 Samenloop verzuimboetes geen aangifte en niet-betaling
De boete voor het aangifteverzuim (artikel 67b AWR) kan samenlopen met een betalingsverzuim (artikel 67c AWR). Het zal immers vaak zo zijn dat als geen aangifte wordt gedaan, ook niet (tijdig) zal worden betaald. De aangifte wordt namelijk gezien als het geleideformulier voor de betaling.
Als geen of te laat aangifte wordt gedaan en niet (tijdig) wordt betaald, kunnen beide boetes worden opgelegd. Het zijn twee afzonderlijke overtredingen. Als wel aangifte wordt gedaan, maar voor een te laag bedrag, dan is geen sprake van een aangifteverzuim op grond van artikel 67b, lid 1, AWR. Het eerste lid stelt namelijk geen boete op het onjuist of onvolledig doen van aangifte. Dit is anders voor de loonbelasting. In dat geval kan wel sprake zijn van een aangifteverzuim én een betalingsverzuim.
1.11 Boete bij onjuiste betaling op aangifte - relatie met suppletie
- S.C.W. Douma, R.J. Koopman, E.A.G. van der Ouderaa & J. Wortel (red.), Algemene wet inzake rijksbelastingen (Fed Fiscale Studieserie), Deventer: Wolters Kluwer 2001, blz. 439
Het doen van een onjuiste aangifte is niet op grond van 67b, eerste lid AWR beboetbaar - S.C.W. Douma, R.J. Koopman, E.A.G. van der Ouderaa & J. Wortel (red.), Algemene wet inzake rijksbelastingen (Fed Fiscale Studieserie), Deventer: Wolters Kluwer 2001, blz. 440
Als tijdig aangifte is gedaan tot een te lag bedrag en alleen dit te lage bedrag is betaald, kan buiten de loonsfeer alleen de boete wegens het betalingsverzuim worden opgelegd (artikel 67c AWR). Van een aangifteverzuim is geen sprake omdat art. 67b AWR buiten de loonsfeer geen boete stelt op het doen van een onjuiste aangifte. - AvD: In art. 67b, lid 2 AWR is voor de loonbelasting wél expliciet opgenomen dat het doen van een onjuiste aangifte beboetbaar is. Een dergelijke regel bestaat niet voor de omzetbelasting.
- Het niet (tijdig) doen van een suppletie is een afzonderlijk beboetbaar feit (art. 10a(3) AWR). Het vormt een overtreding.
- Voor de overtreding van het niet tijdig doen van een suppletie kan geen verzuimboete worden opgelegd. Daarin voorzien 10a(3) AWR, art. 15 en art. 15a Uitv. Besl. OB immers niet. Zie ook wetsvoorstel artikel 10a AWR, Kamerstukken II 2011-2012, 33 004, nr. 3
Het voorstel voorziet in de mogelijkheid om het niet-nakomen van de informatieverplichting of van de voorschriften aan te merken als een beboetbaar feit. Het opnemen van een boetemogelijkheid benadrukt het belang dat het kabinet aan de verplichting hecht. Het wetsvoorstel voorziet uitsluitend in de mogelijkheid om een vergrijpboete op te leggen. De informatieverplichting geldt namelijk alleen indien de belastingplichtige bekend is of wordt met bepaalde onjuistheden of onvolledigheden. Bij het niet doen van mededeling daarvan in strijd met de hem opgelegde verplichting daartoe past geen verzuimboete. De inspecteur zal uiteraard moeten bewijzen dat de onjuistheid of onvolledigheid de belastingplichtige bekend is (geworden). De vergrijpboete bedraagt maximaal 100 percent van het bedrag aan belasting dat als gevolg van het niet nakomen van de informatieverplichting niet is of niet zou zijn geheven. - Feiten bekend uit een suppletie mogen ogv HR 2021 niet gebruikt worden om een boete ogv 67c AWR te onderbouwen. Dat staat ook in paragraaf 24, punt 6 van het BBBB: “De hiervoor bedoelde boete wordt niet gebaseerd op een verklaring die belanghebbende ter nakoming van een wettelijke mededelingsplicht en onder bedreiging van een boete heeft verstrekt (zie ECLI:NL:HR:2021:1351).”
- In het geval van een vrijwillige verbetering (suppletie) blijft een verzuimboete voor een betalingsverzuim van 67c achterwege. Zie paragraaf 24, punt 7 van het BBBB : “Voorts wordt de hiervoor bedoelde verzuimboete niet opgelegd voor zover sprake is van een vrijwillige verbetering (zie § 5).”
- Een vrijwillige verbetering vereist echter dat aan de inspecteur 'uitdrukkelijk kenbaar“ is gemaakt “dat en tot welk bedrag niet of gedeeltelijk niet is betaald”.
- Alleen melden dát er iets fout is gegaan lijkt dus niet voldoende: de inspecteur moet in staat gesteld worden om zonder nader onderzoek een juiste naheffingsaanslag op te leggen. Zie paragraaf 5, punt 1 BBBB: “Van een vrijwillige verbetering is sprake als belanghebbende vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur bekend is of zal worden met dat feit, uitdrukkelijk kenbaar maakt aan de inspecteur dat en tot welk bedrag niet of gedeeltelijk niet is betaald.” Paragraaf 5, punt 2 BBBB: “Van uitdrukkelijk kenbaar maken is sprake indien belanghebbende een afzonderlijke opgave verstrekt die de inspecteur in staat stelt om zonder nader onderzoek een juiste belastingaanslag op te leggen.”
- Het melden dat er iets fout is gegaan kan reeds de grove schuld of opzet wegnemen, ook al is dan nog geen sprake van een vrijwillige verbetering (aangezien nog niet alle juiste gegevens zijn verstrekt)
NV, Kamerstukken II 2011/12, 33 004, nr. 5, blz. 19
Onduidelijk is wat nu precies moet worden verstaan onder de woorden “bekend zijn of bekend zijn geworden”. In dit kader heeft het kabinet slechts opgemerkt dat het niet goed denkbaar is dat de belastingplichtige de relevantie van nieuwe informatie niet direct beseft. Alleen bij suppleties voor de omzetbelasting is een nuancering mogelijk, voor zover ten minste niet uit de jaarstukken voortvloeit dat er nog een te betalen bedrag of te ontvangen bedrag aan omzetbelasting is. Voor die situatie moedigt het kabinet belastingplichtigen aan om contact op te nemen met de inspecteur. Het delen van twijfel kan niet leiden tot het verwijt van het grofschuldig niet nakomen van de informatieverplichting, aldus het kabinet
1.12 Boete bij naheffing
- Fiscale verzamelwet 2026
2.10 Reparatie boete bij naheffing
In de AWR is bepaald dat zowel een verzuim- als vergrijpboete kan worden opgelegd als een belasting- of inhoudingsplichtige (opzettelijk of grofschuldig bij een vergrijpboete) de belasting die op aangifte moet worden voldaan of afgedragen niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn heeft betaald. Hoewel blijkens de wetsgeschiedenis bij de invoering van de vergrijpboetebepaling is bedoeld een mogelijkheid te creëren om “alle jegens wie naheffing kan plaatsvinden”35 te kunnen beboeten, bevat de wettekst een lacune als gevolg waarvan in sommige situaties aan een ander dan de belasting- of inhoudingsplichtige geen boete kan worden opgelegd, terwijl bij hem wel kan worden nageheven. Dat volgt uit een arrest van de HR dat ziet op een vergrijpboete.36 Die lacune doet zich ook voor bij de verzuimboetebepaling die immers een zelfde achtergrond en formulering kent als de vergrijpboetebepaling.37 Daarom wordt voorgesteld ook die bepaling te wijzigen.
De zaak die bij de HR voorlag betrof een belanghebbende die gebruikte personenauto’s met een Nederlands kenteken opkocht van particulieren en het merendeel daarvan verkocht aan kopers in het buitenland. In de jaren 2013-2016 heeft hij voor bijna alle verkopen om teruggaaf van belasting van personenauto’s en motorrijwielen verzocht en is hem die ook verleend. Na een boekenonderzoek heeft de Inspecteur vastgesteld dat die teruggaven ten onrechte zijn verleend. Hij heeft vervolgens een naheffingsaanslag38 en vergrijpboetes39 opgelegd. In deze procedure was in geschil of de vergrijpboete kan worden opgelegd aan een ander dan de belasting- of inhoudingsplichtige, omdat aan die ander ten onrechte of tot een te hoog bedrag teruggaven van belasting zijn verleend en diegene opzettelijk of grofschuldig om die teruggaven van belasting heeft verzocht, terwijl de belastingwet in de gegeven omstandigheden niet in een dergelijke teruggaaf voorziet. Doordat in de boetebepaling40 een verwijzing ontbrak naar de regel dat naheffing ook kan geschieden aan degene aan wie ten onrechte, of tot een te hoog bedrag, vrijstelling of vermindering van inhouding dan wel teruggaaf is verleend, kon in deze situatie aan de belanghebbende geen boete worden opgelegd, oordeelde de HR op ambtshalve bijgebrachte gronden.
Voetnoten 35 Kamerstukken II 1993/94, 23470, nr. 3, p. 47.
36 HR 11 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1422.
37 Kamerstukken II 2009/10, 32128, nr. 19, p. 3.
38 Op grond van artikel 20, eerste lid en tweede lid, eerste zin, AWR.
39 Op grond van artikel 67f AWR.
1.13 Lex Certa
- Als uitvloeisel van het legaliteitsbeginsel geldt in strafzaken het lex certa-beginsel. Volgens dat beginsel moet de wetgever met het oog op de rechtszekerheid op een zo duidelijk mogelijke wijze een verboden gedraging omschrijven. De wettelijke norm moet zo precies zijn dat iemand, zo nodig na advies, erdoor in staat wordt gesteld om in de gegeven omstandigheden in redelijke mate te voorzien welke gevolgen een bepaalde handeling kan hebben. Dat vereist in ieder geval dat de invulling van een wettelijke bepaling voldoende duidelijk, bepaald en kenbaar dient te zijn. Daarbij is het niet uitgesloten dat de wetgever zich van algemene termen, vage normen of doelvoorschriften bedient. Zie ook: HR 11 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1422.
- HvJ, M.A.S en MB
“.. dat artikel 325, leden 1 en 2, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat de nationale rechter krachtens deze bepaling verplicht is om in het kader van een strafrechtelijke procedure wegens strafbare feiten ter zake van de btw bepalingen over verjaring die deel uitmaken van het nationale materiële recht, buiten toepassing te laten indien deze bepalingen eraan in de weg staan dat doeltreffende en afschrikkende strafrechtelijke sancties worden opgelegd in een groot aantal gevallen van ernstige fraude waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, of indien in die bepalingen voor gevallen van ernstige fraude waardoor die belangen worden geschaad, verjaringstermijnen zijn vastgesteld die korter zijn dan voor gevallen van ernstige fraude waardoor de financiële belangen van de betrokken lidstaat worden geschaad, tenzij niet-toepassing van de bepalingen in kwestie met zich meebrengt dat het legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen wordt geschonden doordat de toepasselijke wet onvoldoende nauwkeurig is, of doordat met terugwerkende kracht een wettelijke bepaling wordt toegepast waarbij voorwaarden voor vervolgbaarheid worden vastgesteld die strenger zijn dan die welke van kracht waren toen het strafbare feit werd gepleegd.”
1.14 Geen boete onjuiste aangifte bij ontgaan buitenlandse btw
- https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:279}HR 20 februari 2026, nr. 23/00082, ECLI:NL:HR:2026:279
Omzetbelasting; bestuurlijke boete; art. 67f AWR; nultarief voor intracommunautaire leveringen geweigerd vanwege deelname aan btw-fraude in andere lidstaat; beboetbaar feit; opzet gericht op en/of grove schuld aan niet-betalen van omzetbelasting in Nederland?
4.8.4 In een geval als het onderhavige, waarin met betrekking tot een intracommunautaire levering van goederen is voldaan aan de materiële voorwaarden voor toepassing van het nultarief (zie hiervoor in 4.6.2), wordt volgens de Wet ter zake van een dergelijke levering geen omzetbelasting verschuldigd en hoeft dus geen omzetbelasting op aangifte te worden betaald; ter zake van de op deze intracommunautaire levering volgende intracommunautaire verwerving is btw verschuldigd in de lidstaat van bestemming. De Wet voorziet niet in een bepaling op grond waarvan in zo’n geval, achteraf, bij de leverancier van de goederen omzetbelasting wordt nageheven, ook niet als in de lidstaat van bestemming verschuldigde btw niet wordt geheven, ongeacht of een zodanige niet-heffing in die andere lidstaat het gevolg is geweest van fraude of misbruik.
Indien echter de inspecteur achteraf vaststelt dat die leverancier met zo’n intracommunautaire levering heeft deelgenomen aan een frauduleuze structuur met als gevolg dat ten onrechte geen btw is geheven in de lidstaat van bestemming, staat het op grond van vaste rechtspraak van het Hof van Justitie en van de Hoge Raad4 aan die inspecteur om de belanghebbende het recht op toepassing van het nultarief te weigeren en ter zake van de intracommunautaire levering omzetbelasting van de leverancier na te heffen. Een zodanige naheffingsaanslag heeft met een ruime, richtlijnconforme uitleg van artikel 20, lid 1, AWR wettelijke grondslag. Die ruime uitleg kan echter niet opgaan voor een sanctiebepaling als artikel 67f, AWR, aangezien voor sanctiebepalingen geldt dat deze voldoende duidelijk, bepaald en kenbaar moet zijn. Een zodanige ruime uitleg van het beboetbare feit van artikel 67f AWR zou meebrengen dat het legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen5 wordt geschonden.6 Een zodanige naheffingsaanslag is dus niet de in artikel 67f, lid 3, AWR bedoelde naheffingsaanslag ter zake van het niet of gedeeltelijk niet op aangifte betalen van – in dit geval – omzetbelasting. De aldus door de inspecteur met inachtneming van de hiervoor bedoelde rechtspraak nageheven omzetbelasting was immers niet op grond van de Wet eerder verschuldigd geworden7 en hoeft volgens de Wet niet op aangifte te worden betaald, ook niet als noodzakelijk gevolg van de deelname aan de hiervoor bedoelde frauduleuze structuur.
4.8.5
Gelet op hetgeen hiervoor in 4.8.4 is overwogen, ziet artikel 67f, lid 1, AWR niet op het niet-betalen van omzetbelasting in gevallen waarin de naheffingsaanslag louter berust op het door de inspecteur wegens misbruik of fraude de leverancier ontnemen van het recht op toepassing van het nultarief. In zoverre komt de Hoge Raad dan ook terug van zijn rechtspraak8 waaruit volgt dat in gevallen waarin de naheffingsaanslag in de omzetbelasting louter berust op het wegens misbruik of fraude ontnemen van het recht op toepassing van het nultarief, het beboetbare feit van artikel 67f, lid 1, van de Wet zich kan voordoen.
2. Regelgeving
- Artikel 67b AWR
** 1.** Indien de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige de aangifte voor een belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen niet, dan wel niet binnen de in artikel 10 bedoelde termijn heeft gedaan, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur hem een bestuurlijke boete van ten hoogste € 136 kan opleggen.
2 Indien de inhoudingsplichtige de aangifte loonbelasting niet, niet binnen de in artikel 10 bedoelde termijn, dan wel onjuist of onvolledig heeft gedaan, vormt dit, in afwijking van het eerste lid, een verzuim terzake waarvan de inspecteur hem een bestuurlijke boete van ten hoogste € 1.377 kan opleggen.
3 De bevoegdheid tot het opleggen van de boete wegens het niet dan wel niet tijdig doen van de aangifte vervalt door verloop van een jaar na het einde van de termijn waarbinnen de aangifte had moeten worden gedaan. De bevoegdheid tot het opleggen van de boete wegens het doen van een onjuiste of onvolledige aangifte vervalt door verloop van vijf jaar na het einde van het kalenderjaar van het aangiftetijdvak waarop de aangifte betrekking heeft.
3. Jurisprudentie
3.1 HvJ
- Tarico I
HvJ 8 september 2015, nr. C-105/14, Strafzaak tegen Ivo Taricco e.a., ECLI:EU:C:2015:555 - C-42/17, Taricco II (=M.A.S. en M.B., C‑42/17)
- Rodopi
- Menci
- Maduro Scialdone, C-574/15
- Åkerberg Fransson
- C-564/15 Farkas
- C-935/19
- Pending: C-596/21
- Case C-583/20, EuroChem Agro Hungary Kft. V NÁV, ECLI:EU:C:2021:919, Order of the Court of 21 October 2021.
- MV-98
- Ati-19
- Beach & Bar Management
3.2 HR
- HR 18 juli 2025 – bewijsmaatstaf bij vergrijpboeten; grove schuld
