formeel:proceskostenvergoeding
Table of Contents
Proceskostenvergoeding
1. Aantekeningen
- HR 20 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:283, rechtsoverweging 4.2.8
Indien de bestuursrechter toepassing geeft aan artikel 2, lid 2, van het Bpb, dient hij die beslissing te motiveren
- Als de uitspraak van het Hof is bekendgemaakt in 2024, moet voor de hoogte van de vergoeding van proceskosten ter zake van de cassatieprocedure acht worden geslagen op de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm , gelet op het bepaalde in artikel IV van die wet. Gelet op wat de Hoge Raad in onderdeel 3 van zijn arrest van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46 (hierna: het arrest van 17 januari 2025), heeft overwogen, moet worden beoordeeld of het geval in kwestie met het oog op die proceskostenvergoeding is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in het arrest van de Hoge Raad van 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1175
2. Regelgeving
- Besluit proceskosten bestuursrecht
Besluit van 22 december 1993, Stb. 763, laatstelijke gewijzigd bij het Besluit van 5 december 2005, Stb. 628.
3. Jurisprudentie
3.1. Kosten bezwaar
- Kamerstukken II 1999/2000, 27 024, nr. 3, p. 5; Kamerstukken II 2000/01, 27 024, nr. 14, blz. 1-2 en Kamerstukken II 2000/01, 27 024, nr. 15.
- Hof Den Bosch, 8 juli 2021, nr. 19/00718, ecli:NL:GHSHE:2021:2127
Voor kosten in verband met de behandeling van een bezwaar geldt dat de vermindering van de belastingaanslag te wijten moet zijn aan een door de inspecteur begane onrechtmatigheid. - Hof ’s-Hertogenbosch van 11 november 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:3315 (Richtsnoer proceskostenvergoeding)
Richtsnoer proceskostenvergoeding - Gerechtshof Arnhem Leeuwarden, 25 januari 2022, nrs. 20/00839 t/m 20/00842, ECLI:NL:GHARL:2022:488
5 Griffierecht en proceskosten
Omdat het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, bepaalt het Hof dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt.
Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken.
Naar het oordeel van het Hof is sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het zal afwijken van het tarief dat is opgenomen om artikel 2, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. In elk geval een van de beide aandeelhouders van belanghebbende was vermeld op de FSV-lijst. Niet kan worden vastgesteld wat de reden was voor die vermelding. Hoewel die vermelding mogelijk niet de aanleiding is geweest voor het onderzoek, acht het Hof aannemelijk dat de vermelding van belanghebbende grote invloed heeft gehad op het verloop van het onderzoek, op de vaststelling van de naheffingsaanslagen, op de behandeling van de bezwaarschriften en op de opstelling van de Inspecteur tijdens de gerechtelijke procedures over de naheffingsaanslagen. Daarbij verdient nog opmerking dat het in het onderhavige geval – anders dan in het arrest HR 10 december 2021, nr. 20/02304, ECLI:NL:HR:2021:1748 – gaat om naheffingsaanslagen die zijn gebaseerd op correcties waarvan de Inspecteur de bewijslast draagt. De naheffingsaanslagen hebben geleid tot verhoging van het verzamelinkomen van [naam1] , waardoor eerder toegekende toeslagen zijn teruggevorderd. Algemeen is bekend dat hardvochtig is opgetreden bij de terugvordering van toeslagen van personen die waren vermeld op de FSV-lijst. Het Hof verwijst in dit verband naar het verslag ‘Ongekend onrecht’ van de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag (Kamerstukken II, 2020/21, 35.510, nr. 2). Ook overigens heeft belanghebbende aanmerkelijk nadeel ondervonden van de vermelding op de FSV-lijst. Illustratief daarvoor zijn de honderden blauwe enveloppen die belanghebbende en haar aandeelhouder [naam1] en diens partner ontvingen. Dit heeft ertoe geleid dat zij meer dan honderd bezwaarschriften hebben ingediend en aanmerkelijke kosten hebben moeten maken voor rechtsbijstand. Belanghebbende heeft onweersproken verklaard dat deze kosten in totaal meer dan € 42.000 belopen, waarvan het grootste gedeelte betrekking heeft op de onderhavige zaak. Het Hof zal op grond van het voorgaande de vergoeding voor de kosten van beroepsmatige rechtsbijstand vaststellen op € 25.000.
- HR 12 juli 2024, nr. 23/03218, ECLI:NL:HR:2024:1060
3.2 Proceskostenvergoeding ivm ORT
- HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.14.1.
In de omstandigheid dat belanghebbende een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure wordt toegekend, vindt de Hoge Raad aanleiding om de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) te veroordelen in de kosten van het geding in cassatie. - HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, rechtsoverweging 5.2
Bij de berekening van de vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand neemt de Hoge Raad in het geval aan belanghebbende een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding in de cassatieprocedure wordt toegekend tot uitgangspunt dat i) een verzoek om schadevergoeding een proceshandeling is waaraan 1 punt wordt toegekend, en ii) op een dergelijk verzoek van toepassing is wegingsfactor 0,25 (zeer licht) zoals voorzien in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht
3.2.1 Proceskostenvergoeding ivm ORT bij inhoudelijk ongegrond (hoger) beroep / cassatieberoep
- HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252
3.14.1. Indien de rechter het (hoger) beroep dan wel het beroep in cassatie op zichzelf beschouwd ongegrond acht, maar wel een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 Awb toekent, is er aanleiding het griffierecht op de voet van artikel 8:74, lid 2, Awb aan de belanghebbende te laten vergoeden en, indien sprake is van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten op de voet van artikel 8:75 Awb, een veroordeling uit te spreken in de proceskosten van de belanghebbende (vgl. HR 20 maart 2015, nr. 14/01332, ECLI:NL:HR:2015:660, BNB 2015/198). Dit is niet anders indien de rechter over de vergoeding van immateriële schade beslist in een afzonderlijke, nadere uitspraak als bedoeld in artikel 8:73, lid 2, Awb.
3.14.2. In de hiervoor in 3.14.1 bedoelde gevallen rijst de vraag wie het griffierecht en de proceskosten voor de procedure bij de rechtbank moet(en) vergoeden indien de bezwaar- en de beroepsfase tezamen zo lang hebben geduurd dat de redelijke termijn is overschreden. Indien die overschrijding met inachtneming van het hiervoor in 3.11.1 overwogene
(i) uitsluitend is toe te rekenen aan het bestuursorgaan, zal de vergoeding van deze bedragen ook moeten plaatsvinden door dat orgaan;
(ii) uitsluitend is toe te rekenen aan de rechter, zal de vergoeding van deze bedragen moeten plaatsvinden door de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie);
(iii) zowel aan het bestuursorgaan als aan de rechter is toe te rekenen, zal de vergoeding van deze bedragen deels moeten plaatsvinden door het bestuursorgaan en deels door de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie), waarbij om redenen van eenvoud en uitvoerbaarheid dient te worden uitgegaan van een verdeling waarbij ieder van hen de helft betaalt.
3.3 Proceskostenvergoeding
- HR 14 juli 2006, nr. 42477, ?????, r.o. 3.4
Voor vergoeding van kosten genoemd in Besluit proceskosten bestuursrecht, andere dan die betreffende beroepsmatig verleende bijstand, heeft te gelden dat het gemaakt zijn van die kosten uiterlijk bij het sluiten van het onderzoek ter zitting van het Hof, moet zijn medegedeeld. - Conclusie van advocaat-generaal Ettema van 5 december 2025, nr. 23/03662, ECLI:NL:PHR:2025:1336
5.7 In het verleden heeft de Hoge Raad met betrekking tot de ‘Richtlijn van de belastingkamers van de gerechtshoven inzake vergoeding van proceskosten bij WOZ-taxaties, Raad voor de Rechtspraak’ (Richtlijn proceskosten bij WOZ-taxaties)16, geoordeeld dat die richtlijn ‘recht’ is als hiervoor bedoeld.17 Hij is echter inmiddels omgegaan. In een arrest van 13 juni 2025 oordeelt hij als volgt (voetnoten weggelaten):18
“4.1.5 De Richtlijn is niet aan te merken als recht in de zin van artikel 79 van de Wet op de rechterlijke organisatie. Zij is immers niet vastgesteld door de gerechtsvergadering van het Hof. De Hoge Raad kan daarom niet beoordelen of het Hof de Richtlijn heeft geschonden. In zoverre komt de Hoge Raad terug van zijn arrest van 27 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3370, rechtsoverweging 2.3.1.
4.1.6 Dit neemt niet weg dat het wenselijk is dat de gerechten in feitelijke instantie op dit punt uniformiteit nastreven (zie hiervoor in 4.1.3). Toepassing van de Richtlijn is daarvoor een aanvaardbaar en geëigend middel. De gerechten in feitelijke instantie zijn echter niet op grond van algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging gehouden om in overeenstemming met de Richtlijn te beslissen, aangezien deze niet is vastgesteld door een instantie die de bevoegdheid heeft rechters in die zin te binden. Zij zijn daarom, indien zij de Richtlijn niet toepassen of wanneer zij daarvan afwijken, evenmin gehouden te motiveren waarom zij dat doen. De klacht faalt voor zover deze uitgaat van een andere rechtsopvatting.”
4. Literatuur
formeel/proceskostenvergoeding.txt · Last modified: by avdoesum
