Site Tools


formeel:schadevergoeding

Schadevergoeding

1. Aantekeningen

1.1 Aantekeningen AvD

  • HR 20 maart 2015, nr. 14/01332, ECLI:NL:HR:2015:660, BNB 2015/198
    Ook als beroep ongegrond is, kan VIS wegens ORT worden toegekend. In dat geval wordt de Staat veroordeeld in de proceskosten (en wordt het griffierecht teruggegeven - of is dat inmiddels gewijzigd?).
  • Als ORT meer dan 12 maanden is, kan de Hoge Raad wat betreft de boetes naar bevind van zaken handelen. Zie HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0191, r.o. 4.2.4.
  • Schending van art. 6 EVRM wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt in beginsel gecompenseerd door vermindering van de boete. Als de boete is vernietigd, wordt die compensatie verleend in de vorm van toekenning van een vis-ort (voor elke opgelegde boete afzonderlijk).
  • HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.14.1.
    In de omstandigheid dat belanghebbende een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure wordt toegekend, vindt de Hoge Raad aanleiding om de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) te veroordelen in de kosten van het geding in cassatie.
  • HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, rechtsoverweging 5.2
    Bij de berekening van de vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand neemt de Hoge Raad in het geval aan belanghebbende een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding in de cassatieprocedure wordt toegekend tot uitgangspunt dat i) een verzoek om schadevergoeding een proceshandeling is waaraan 1 punt wordt toegekend, en ii) op een dergelijk verzoek van toepassing is wegingsfactor 0,25 (zeer licht) zoals voorzien in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht
  • HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.13.3
    Een verzoek om VIS voor de fase in eerste aanleg, kan voor het eerst in Hoger Beroep worden gedaan.
  • • HR 1 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:735
    Immateriële schadevergoeding, verlenging van de redelijke termijn, bijzondere omstandigheden.

1.2 Overzicht Genial 24 maart 2026

1. Algemeen uitgangspunt: forfaitaire vergoeding van € 500 per halfjaar overschrijding

De Hoge Raad hanteert sinds het overzichtsarrest van 19 februari 2016 als vaste regel dat bij overschrijding van de redelijke termijn in belastingzaken, behoudens bijzondere omstandigheden, wordt aangenomen dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. De vergoeding wordt forfaitair vastgesteld op € 500 per halfjaar (of gedeelte daarvan) waarmee de redelijke termijn is overschreden. Dit tarief geldt als uitgangspunt en is bedoeld om een praktische en voorspelbare regeling te bieden, zonder dat telkens de omvang van de immateriële schade moet worden bewezen.

2. Bijzondere omstandigheden: verhoging van de bagatelgrens naar € 1.000 en termijn van 12 maanden

In het arrest van 14 juni 2024 (ECLI:NL:HR:2024:853) heeft de Hoge Raad een belangrijke aanpassing doorgevoerd in de toepassing van de forfaitaire vergoeding. Voorheen gold een bagatelgrens van € 15 als financieel belang waaronder geen vergoeding werd toegekend. Deze grens is verhoogd naar € 1.000. Dit betekent dat wanneer het financiële belang bij de procedure minder dan € 1.000 bedraagt en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden, de rechter kan volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden, zonder dat een geldelijke vergoeding hoeft te worden toegekend. Dit is een belangrijke aanscherping die de toepassing van de IMSV-regeling beperkt bij geringe financiële belangen en korte termijnoverschrijdingen.

3. Geen maximering van de vergoeding aan het pleitbare financiële belang

De Hoge Raad heeft in het arrest van 14 juni 2024 tevens bevestigd dat de vergoeding van immateriële schade niet gemaximeerd is op het pleitbare financiële belang bij de procedure. Dit betekent dat ook in zaken met een relatief laag financieel belang een volledige forfaitaire vergoeding van € 500 per halfjaar kan worden toegekend, mits de overschrijding langer dan twaalf maanden duurt. Eveneens geldt dat in zaken die een bepaalde belasting, heffing of beschikking betreffen (zoals WOZ-beschikkingen), geen beperking geldt tot een lager tarief van bijvoorbeeld € 50 per halfjaar, tenzij de wet dat uitdrukkelijk bepaalt. Deze uitspraak voorkomt dat de vergoeding kunstmatig wordt beperkt en versterkt de rechtsbescherming van belastingplichtigen.

4. Overgangsrecht

De Hoge Raad heeft in ECLI:NL:HR:2024:853 ook een overgangsregeling geformuleerd. Verzoeken om immateriële schadevergoeding die vóór 14 juni 2024 zijn ingediend en waarbij de redelijke termijn op die datum al was overschreden, worden nog behandeld volgens de oude norm (met de bagatelgrens van € 15). Dit waarborgt rechtszekerheid en voorkomt dat lopende zaken door de nieuwe regels worden benadeeld. Dit overgangsrecht geldt ook voor de verschillende fasen van de belastingprocedure (bezwaar, beroep, hoger beroep, cassatie) waarin de termijnoverschrijding zich voordoet.

5. Geen belemmering door no cure no pay of uitbetaling aan rechtsbijstandverlener

De Hoge Raad heeft bevestigd dat het bestaan van een no cure no pay-overeenkomst tussen de belanghebbende en zijn gemachtigde, of de afspraak dat de vergoeding van immateriële schade aan de rechtsbijstandverlener wordt uitbetaald, niet in de weg staat aan toekenning van de vergoeding aan de belanghebbende zelf. Dit is van belang omdat het voorkomt dat dergelijke afspraken de vergoeding uitsluiten, terwijl de immateriële schade (spanning en frustratie) bij de belanghebbende zelf blijft bestaan.

6. Toepassing en belang van de rechtspraak

De rechtspraak van de Hoge Raad over immateriële schadevergoeding bij overschrijding van de redelijke termijn in belastingzaken is van groot belang omdat zij:

  • Rechtszekerheid biedt door een vaste forfaitaire vergoeding te hanteren;
  • Voorkomt dat belastingplichtigen langdurig en kostbaar bewijs moeten leveren van immateriële schade;
  • De bagatelgrens heeft verhoogd naar een meer realistisch niveau (€ 1.000), waardoor de regeling proportioneel wordt toegepast;
  • De vergoeding niet beperkt tot het financiële belang, waardoor ook bij kleine belangen een redelijke compensatie mogelijk is;
  • Overgangsrecht regelt om lopende zaken niet te benadelen;
  • Praktische aspecten zoals no cure no pay-regelingen adresseert.



Samenvatting van de kernregels uit de Hoge Raad-rechtspraak (vooral ECLI:NL:HR:2024:853):

  • Forfaitaire vergoeding: € 500 per halfjaar overschrijding redelijke termijn.
  • Bagatelgrens: Bij financieel belang < € 1.000 en overschrijding ≤ 12 maanden kan volstaan worden met constatering overschrijding, zonder vergoeding.
  • Geen maximering: Vergoeding is niet beperkt tot het pleitbare financiële belang.
  • Overgangsrecht: Oude norm (bagatelgrens € 15) blijft gelden voor verzoeken vóór 14 juni 2024.
  • No cure no pay: Geen

2. Regelgeving

  • Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm
    Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm), Stb. 2023, 507

3. Jurisprudentie

  • Overzichtsarrest immateriële schadevergoeding termijnoverschrijding
    Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252 (overzichtsarrest immateriële schadevergoeding termijnoverschrijding)
    HR heeft sindsdien wijzigingen aangebracht m.b.t. 3.14.1 (Griffierecht)
  • HR 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:559
    Een verzoek om vergoeding van schade dient onderbouwd te zijn.
  • Hof Den Bosch, 8 juli 2021, nr. 19/00718, ecli:NL:GHSHE:2021:2127
    Daarnaast geeft artikel 8:73a van de Awb (oud) in samenhang met artikel 8:73 Awb (oud) en overgangsrecht de belastingrechter de mogelijkheid tot toekenning van een schadevergoeding bij gegrondheid van het beroep. Het gaat dan om andere schade dan proceskosten of de kosten van bezwaar; artikel 7:15 Awb en artikel 8:75(a) van de Awb vormen een bijzondere regeling (lex specialis) ten opzichte van artikel 8:73(a) van de Awb. 11 Indien een belastingplichtige schade lijdt in de vorm van kosten van bezwaar of proceskosten, is daarom uitsluitend artikel 7:15 Awb respectievelijk artikel 8:75(a) van de Awb - met inbegrip van de forfaitaire regeling van het Besluit proceskosten bestuursrecht - van toepassing. De schadevergoeding van artikel 8:73a van de Awb kent geen forfaitaire beperking. Het hof zal de schade die op grond van artikel 8:73a van de Awb vergoed kan worden hierna aanduiden als ‘overige schade’.
    3.17. Een vergoeding van overige schade wordt toegekend als sprake is van een onrechtmatige daad van de inspecteur. De belastingplichtige moet stellen en, bij betwisting, bewijzen dat de inspecteur jegens hem een onrechtmatige daad heeft gepleegd en dat hij als gevolg daarvan schade heeft geleden. Ook dient hij de omvang van de schade te bewijzen. Er geldt geen forfait.
    3.19. De vraag wanneer het verminderen van een belastingaanslag door het bestuursorgaan een onrechtmatige daad oplevert, is door de Hoge Raad beantwoord in zijn arrest van 20 februari 1998, nr. 16 474, NJ 1998/526 (Boeder/Staat).
  • HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:660
    Gewicht van de zaak gesteld op 0,5 indien Staat slechts in proceskosten wordt veroordeeld omdat sprake is van VIS bij ORT
  • HR 31 mei 2024, nr. 22/00849, ECLI:NL:HR:2024:567 (Beroep op zich ongegrond, maar wel VIS-ORT, geen vergoeding griffierecht)
    7 Vergoeding van griffierecht
    7.1.1 Voor gevallen waarin de rechter het beroep, het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie op zichzelf beschouwd ongegrond acht, maar wel een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toekent, handhaaft de Hoge Raad niet langer zijn rechtspraak op grond waarvan het griffierecht op de voet van artikel 8:74, lid 2, Awb aan de belanghebbende moet worden vergoed8. De heffing van griffierecht vindt plaats vanwege het instellen van beroep, hoger beroep of beroep in cassatie, en voor vergoeding daarvan door het bestuursorgaan bestaat alleen aanleiding indien dat beroep gegrond is en dus terecht is ingesteld, of indien het weliswaar ongegrond is maar is ingesteld als gevolg van een andere tekortkoming van dat bestuursorgaan. De Hoge Raad is thans van oordeel dat de aanleiding tot het vergoeden van griffierecht daarom niet kan zijn gelegen in de omstandigheid dat de behandeling van het beroep, na het instellen daarvan, onredelijk lang heeft geduurd. Dit geldt zowel bij verzoeken om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn waarop de met ingang van 1 juli 2013 ingevoerde titel 8.4 Awb van toepassing is,9 als bij verzoeken om schadevergoeding waarop met overeenkomstige toepassing van het tot 1 juli 2013 geldende artikel 8:73 Awb wordt beslist.
    7.1.2 De hiervoor in 7.1.1 weergegeven wijziging geldt niet voor zaken waarin (i) de belanghebbende voorafgaand aan de datum van dit arrest om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor berechting heeft verzocht, en (ii) de redelijke termijn voor de desbetreffende fase van de procedure (bezwaar en beroep, hoger beroep, cassatieberoep) op de datum van dit arrest is overschreden. Aldus wordt een aanspraak op vergoeding van griffierecht geëerbiedigd die voortvloeit uit een daartoe vóór de datum van dit arrest gedaan verzoek op basis van de toenmalige rechtspraak van de Hoge Raad.
    7.2 Aangezien het verzoek van belanghebbende om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure aan de hiervoor in 7.1.2 genoemde voorwaarden voldoet, zal de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) worden opgedragen aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald.
  • HR 14 juni 2024, nr. 22/04592, ECLI:NL:HR:2024:853 (HR gaat om ten aanzien van minimale omvang financiële belang) (VIS-ORT - Bagatelgrens EUR 1000 en overgangsrecht)
    3.4.1 De Hoge Raad ziet aanleiding tot gedeeltelijke aanpassing van regels uit zijn hiervoor in 3.2.1 en 3.2.2 weergegeven rechtspraak over vergoeding van immateriële schade in gevallen waarin de beslechting van een belastinggeschil niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden. De Hoge Raad heeft tot nu toe aangenomen dat de omvang van het financiële belang alleen dan tot gevolg heeft dat geen vergoeding van immateriële schade hoeft te worden toegekend, wanneer het financiële belang bij een belastingprocedure minder is dan € 15.10

    3.4.2 Zoals blijkt uit de conclusie van de Advocaat-Generaal, worden in sterk toenemende mate belastingprocedures over een belang van meer dan € 15 gevoerd in de hoop en verwachting een vergoeding van immateriële schade en een daaraan gekoppelde vergoeding van proceskosten te verkrijgen vanwege een overschrijding van de redelijke termijn. In deze ontwikkeling ziet de Hoge Raad aanleiding voor een aanpassing van de hoogte van het bedrag van € 15. De Hoge Raad zal in verband daarmee de grens voortaan op een aanzienlijk hoger bedrag dan € 15 stellen.

    3.4.3 Voortaan zal de Hoge Raad tot uitgangspunt nemen dat zich een bijzondere omstandigheid als hiervoor in 3.2.1 bedoeld voordoet, wanneer het financiële belang bij de procedure, zoals hiervoor nader beschreven in 3.3.1 tot en met 3.3.5, minder dan € 1.000 bedraagt, en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden. De belastingrechter kan dan volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

    3.4.4 Indien het financiële belang bij de procedure minder dan € 1.000 bedraagt en de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden, beslist de belastingrechter op een verzoek om vergoeding van immateriële schade naar bevind van zaken.11 Het staat de belastingrechter vrij om – na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – ook in die gevallen te volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

    3.4.5 Met de hiervoor in 3.4.3 weergegeven aanpassing wordt aangesloten bij de rechtspraak van de Hoge Raad in strafzaken en in belastingzaken waarin een bestuurlijke boete in het geding is, en waarin wordt volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden indien het gaat om een boete die minder dan € 1.000 bedraagt.12 Ook het EHRM verlangt niet dat een financiële compensatie wordt geboden in alle gevallen waarin een overschrijding van de redelijke termijn plaatsvindt. Het EHRM aanvaardt de mogelijkheid dat de lange duur van een procedure in bepaalde gevallen leidt tot geen enkele of slechts zeer geringe immateriële schade, en dat de rechter dan volstaat met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.13

    3.4.6 Voor het overige handhaaft de Hoge Raad zijn hiervoor in 3.2.1 en 3.2.2 beschreven rechtspraak over het recht op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en over de omvang van een dergelijke vergoeding.

    Overgangsrecht

    3.5 De hiervoor in 3.4.3 en 3.4.4 weergegeven wijzigingen gelden niet voor zaken waarin (i) de belanghebbende voorafgaand aan de datum van dit arrest om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft verzocht, en (ii) de redelijke termijn voor de desbetreffende fase van de procedure (bezwaar en beroep, hoger beroep, cassatieberoep) op de datum van dit arrest is overschreden. Aldus wordt een aanspraak op vergoeding van immateriële schade geëerbiedigd die op grond van een daartoe vóór de datum van dit arrest gedaan verzoek is verkregen op basis van de toenmalige rechtspraak van de Hoge Raad.
  • HR 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46 (Bijzonder geval pkv)

4. Literatuur


formeel/schadevergoeding.txt · Last modified: by avdoesum