karakter:btw-opbrengsten
Table of Contents
Btw-opbrengsten / eigen middelen
1. Aantekeningen
- 34. herinnert eraan dat de btw-inkomsten een van de belangrijkste bronnen van overheidsinkomsten zijn en gemiddeld circa 21 % van de totale belastinginkomsten in de EU uitmaken; merkt op dat de btw-kloof gemiddeld 10 % bedraagt en dat de btw ook een bron van eigen middelen voor de EU-begroting is; wijst erop dat een verlaging van
de btw-grondslag tot een verlies aan inkomsten voor de overheidsfinanciën kan leiden; verzoekt de nationale belastingautoriteiten initiatieven te nemen om de btw-kloof te verkleinen en zo de overheidsfinanciën te verbeteren, met name in het licht van de economische recessie als gevolg van de COVID-19-pandemie, en de eigen middelen van de EU te verhogen;
2. Regelgeving
3. Jurisprudentie
- Napfény-Toll
HvJ 13 juli 2023, Zaak C-615/21, Napfény-Toll, ECLI:EU:C:2023:573
31 Het is juist dat verordening nr. 2988/95, die ter terechtzitting voor het Hof is aangevoerd, bepaalde eisen stelt aan de berekening en de schorsing van de verjaringstermijnen voor de in deze verordening bedoelde vervolging van onregelmatigheden. Uit artikel 1, lid 2, van die verordening blijkt echter dat deze verordening alleen van toepassing is wanneer de begroting van de Unie wordt benadeeld door de vermindering of het achterwege blijven van ontvangsten uit de eigen middelen „die rechtstreeks voor rekening van de Unie worden geïnd”. Weliswaar omvatten de eigen middelen van de Unie volgens overweging 8 van richtlijn 2006/112 en artikel 2, lid 1, onder b), van besluit 2007/436 de ontvangsten uit de toepassing van een voor alle lidstaten geldend uniform percentage op de geharmoniseerde btw-grondslag, zodat er volgens de rechtspraak van het Hof een verband bestaat tussen de inning van btw-ontvangsten met inachtneming van het toepasselijke Unierecht en de terbeschikkingstelling van de overeenkomstige btw-middelen van de begroting van de Unie (arrest van 26 februari 2013, Åkerberg Fransson, C‑617/10, EU:C:2013:105, punt 26), maar dit neemt niet weg dat de btw niet kan worden geacht rechtstreeks voor rekening van de Unie te worden geïnd in de zin van artikel 1, lid 2, van verordening nr. 2988/95.
32 ** Deze belasting wordt immers geïnd door de belastingplichtigen en pas daarna door hen afgedragen aan de lidstaten. Daarnaast blijkt uit artikel 1 van verordening (EEG, Euratom) nr. 1553/89 van de Raad van 29 mei 1989 betreffende de definitieve uniforme regeling voor de inning van de eigen middelen uit de belasting over de toegevoegde waarde (PB 1989, L 155, blz. 9) dat de eigen middelen van de Unie op basis van de btw niet eenvoudigweg bestaan uit een percentage van de daadwerkelijk geïnde btw-ontvangsten, maar voortvloeien uit de toepassing van een uniform percentage over de btw-grondslag van de lidstaten, welke grondslag wordt berekend overeenkomstig artikel 3 van deze verordening en onderworpen is aan verschillende in die verordening vastgestelde correcties.
**33 In dit verband is het juist dat het Hof heeft erkend dat de Overeenkomst opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, ondertekend te Luxemburg op 26 juli 1995 (PB 1995, C 316, blz. 48), van toepassing is op de ontvangsten uit de toepassing van een uniform percentage op de btw-grondslag die op uniforme wijze is vastgesteld volgens de voorschriften van de Unie. In tegenstelling tot de duidelijke bewoordingen van artikel 1, lid 2, van verordening nr. 2988/95 bevat artikel 1 van die overeenkomst echter niet de voorwaarde dat de ontvangsten rechtstreeks voor rekening van de Unie worden geïnd (zie in die zin arrest van 8 september 2015, Taricco e.a., C‑105/14, EU:C:2015:555, punt 41).
- Conclusie AG Trstenjak van 25 mei 2011, nr. C-539/09
4. Literatuur
karakter/btw-opbrengsten.txt · Last modified: by avdoesum
