Site Tools


karakter:uitlegging_begrippen

Uitlegging begrippen

1. Aantekeningen

1.1 'Bepaalde'

Conclusie AG in Italittica, punt 17

Evenmin kan worden gesteld, dat de verwijzing in artikel 10, lid2, naar „bepaalde handelingen” of „bepaalde categorieën belastingplichtigen” noodzakelijkerwijs betekent, dat alleen sommige, doch niet alle handelingen of categorieën belastingplichtigen binnen de werkingssfeer van de afwijking kunnen worden gebracht. Ofschoon de uitdrukking „bepaalde handelingen” inderdaad kan betekenen „sommige, doch niet alle handelingen”, kan deze uitdrukking eveneens betekenen „nauwkeurig omschreven handelingen”, zonder dat dit enige beperking inhoudt. Gelijk het Verenigd Koninkrijk opmerkt, wordt het woord „bepaalde” ook elders in de richtlijn gebruikt, zowel in de betekenis van sommige, doch niet alle gevallen, als in een betekenis die duidelijk niet is bedoeld om „alle gevallen” uit te sluiten. Het eerste geval is artikel 22, lid 9, waar (in alle negen taalversies die ten tijde van de feiten authentiek waren) uitdrukkelijk onderscheid wordt gemaakt tussen de uitdrukking „bepaalde verplichtingen” en „alle verplichtingen”. Het tweede geval is artikel 27, lid 1, volgens hetwelk de Raad de Lid-Staten kan machtigen om afwijkende maatregelen te treffen „ten einde ‚bepaalde’ vormen van belastingfraude of-ontwijking te voorkomen” (de Duitse en Spaanse versies gebruiken een enigszins andere terminologie). Die bepaling kan redelijkerwijs niet betekenen, dat de Lid-Staten niet alle vormen van belastingontduiking mogen voorkomen; men moet ervan uitgaan dat zij betekent, dat de Lid-Staat die gebruik wenst te maken van de afwijking, duidelijk moet aangeven, welke vormen van belastingontwijking hij wil voorkomen.


1.2 Spraakgebruik/ omgangstaal

  • C-515/20, B AG, r.o. 28
    “(…) de gebruikelijke betekenis van dit begrip in de omgangstaal (zie in die zin arrest van 9 september 2021, Phantasialand, C-406/20, EU:C:2021:720, punt 29)”

-==1.3 Synoniemen en homoniemen===

  • Radio Popular
    46. De goede werking en de eenvormige uitlegging van het gemeenschappelijke btw-stelsel impliceren immers in beginsel dat soortgelijke handelingen die onder de btw-richtlijn vallen, niet met verschillende begrippen worden aangeduid naargelang zij onder de ene dan wel de andere bepaling van deze richtlijn vallen (zie naar analogie arrest van 22 oktober 2009, Swiss Re Germany Holding, C‑242/08, EU:C:2009:647, punt 31)
  • Conclusie advocaat generaal in Drebers
    24. In zijn arrest Verbond van Nederlandse Ondernemingen merkte het Hof in de eerste plaats op dat de term „investeringsgoederen” voorkwam in een voorschrift van gemeenschapsrecht, dat ter bepaling van zijn strekking en draagwijdte niet verwees naar het recht van de lidstaten.(18) De uitlegging daarvan kon derhalve niet aan de beoordeling van iedere lidstaat worden gelaten.(19) Het Hof oordeelde vervolgens dat met „investeringsgoederen” goederen werden bedoeld die worden gebruikt voor bedrijfsdoeleinden en die zich onderscheiden door hun duurzame aard en hun waarde zodat de aanschaffingskosten ervan normaliter niet als lopende uitgaven worden geboekt, doch over meerdere jaren worden afgeschreven.(20) Sindsdien heeft het Hof geoordeeld dat deze overwegingen van overeenkomstige toepassing zijn op de in artikel 20 van de Zesde richtlijn vastgelegde bijzondere regeling voor de herziening van de aftrek voor investeringsgoederen(21), niettegenstaande het feit dat de lidstaten volgens artikel 20, lid 4, daarvan het begrip „investeringsgoederen” wel konden definiëren. Hieruit volgt dat de lidstaten niet over een onbeperkte beoordelingsvrijheid beschikken in de uitoefening van de hun bij artikel 189 van de btw-richtlijn verleende bevoegdheid om investeringsgoederen te definiëren. In dat verband is het vermeldenswaard dat, aangezien voor het bepalen van de draagwijdte van een bepaling van het Unierecht rekening dient te worden gehouden met zowel de bewoordingen en de context als de doelstellingen van deze bepaling, de definitie van „investeringsgoederen” in één Unierechtelijke bepaling niet noodzakelijk samenvalt met die in een andere bepaling.(22) Hoewel de lidstaten een zekere beoordelingsvrijheid hebben bij het definiëren van „investeringsgoederen” voor de toepassing van artikel 187 van de btw-richtlijn, reikt die beoordelingsvrijheid, om de hierboven in punt 23 uiteengezette redenen, niet zo ver dat zij „onroerende investeringsgoederen” mogen definiëren.

1.4 Uniforme begrippen van Unierecht

  • Conclusie Rantos in Finanzamt T-II
    31. Bovendien vereist zowel de eenvormige toepassing van het Unierecht als het gelijkheidsbeginsel dat de bewoordingen van een bepaling van Unierecht, zoals de relevante bepalingen in de onderhavige zaak, die voor de betekenis en de draagwijdte ervan niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst, normaliter in de gehele Europese Unie autonoom en uniform moeten worden uitgelegd.(10)
  • HvJ 26november 2025, T‑657/24, Unipessoal, ecli:EU:T:2025:1062
    21. Dienaangaande zij eraan herinnerd dat, volgens vaste rechtspraak van het Hof, de vrijstellingen bedoeld in artikel 135, lid 1, van de btw-richtlijn autonome begrippen van het Unierecht vormen, die tot doel hebben verschillen in de toepassing van het btw-stelsel tussen de lidstaten te voorkomen, en die dus eenvormig moeten worden uitgelegd op het grondgebied van alle lidstaten (zie arrest van 9 maart 2023, Generali Seguros, C-42/22, EU:C:2023:183, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

2. Regelgeving


3. Jurisprudentie

3.1. Synoniemen en homoniemen

Rádio Popular – Electrodomésticos SA, C‑695/19

46. De goede werking en de eenvormige uitlegging van het gemeenschappelijke btw-stelsel impliceren immers in beginsel dat soortgelijke handelingen die onder de btw-richtlijn vallen, niet met verschillende begrippen worden aangeduid naargelang zij onder de ene dan wel de andere bepaling van deze richtlijn vallen (zie naar analogie arrest van 22 oktober 2009, Swiss Re Germany Holding, C‑242/08, EU:C:2009:647, punt 31).


4. Literatuur

Functionele Analyse
  • Van Dongen (diss.), Deel 0, Hoofdstuk 5
    In de btw voert het HvJ EG functionele analyses uit om een goed of een dienst aan de hand van objectieve kenmerken en eigenschappen te duiden (deze techniek wordt ook veel gebruikt in het douanerecht voor de vaststelling van het douanetarief). Een economische analyse is bij uitstek geschikt om de maatstaf van heffing vast te stellen. De beginselen, en vooral het neutraliteitsbeginsel, vereisen dat niet de vorm maar de inhoud prevaleert bij de heffing van btw. Niet zozeer een analyse van de (doorgaans op nationaal recht gebaseerde) overeenkomsten, maar veeleer een onderzoek naar de feiten en omstandigheden bepaalt hoe een transactie moet worden geduid. De opvattingen van de modale afnemer kunnen hierbij van belang zijn.

karakter/uitlegging_begrippen.txt · Last modified: by avdoesum