Table of Contents
Vorm van de belasting
1. Aantekeningen
1. BTW is een transactiebelasting
1.1 Artikel 2 Zesde Richtlijn
Aan de belasting over de toegevoegde waarde zijn onderworpen: 1. de leveringen van goederen en de diensten, welke in het binnenland door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht; 2. de invoer van goederen.
1.2 Pag. 3 voorstel herschikking Zesde Richtlijn, COM2004/246 def. 15-4-2004
De schrapping van deze bepalingen die thans niet van toepassing zijn ofschoon zij van kracht blijven, doet geen afbreuk aan de gedachte van een definitief stelsel van belastingheffing, in de lidstaat van oorsprong, over handelingen die tot verbruik in de Gemeenschap leiden. Het definitieve stelsel blijft een langetermijndoel van de Gemeenschap .
1.3 Pag. 2 voorstel plaats van dienst Zesde Richtlijn, COM 2005/334 def, 20-7-2005
Om te garanderen dat de regels inzake de plaats van levering van diensten - en derhalve de plaats van belastingheffing - hun doel bereiken, namelijk dat de belasting toekomt aan het land van verbruik, heeft de Commissie een wijziging van de regels inzake de plaats van levering van diensten aan belastingplichtigen voorgesteld, die inhoudt dat zulke diensten in de regel worden belast in de lidstaat waar de klant is gevestigd, terwijl tegelijkertijd ook de verleggingsregel wordt uitgebreid. Deze wijzigingen moeten er, zodra zij ten uitvoer zijn gelegd, voor zorgen dat de belasting wordt geheven op de plaats van verbruik.
1.4 A. van Dongen, Wat komt eerst; subjectiviteit in de BTW, Opinie NTFR 2004/223
De BTW is een transactiebelasting, hetgeen blijkt uit art. 2 Zesde Richtlijn. Niet personen, maar leveringen van goederen en diensten en de invoer van goederen zijn aan de BTW onderworpen. Weliswaar zijn leveringen van goederen en diensten volgens dit artikel slechts aan de BTW onderworpen indien zij door een belastingplichtige worden verricht, doch het gebruik van de lijdelijke vorm wijst erop dat de belastingplichtige bij de heffing en inning van BTW de rol van kruiwagen vervult. Hij zorgt ervoor dat de opbrengst in de schatkist belandt. Deze opvatting wordt ook gesteund door de veronderstelling dat de belastingplichtige de BTW afwentelt op zijn afnemers, voor wie de BTW een deel vormt van de prijs die ze voor de goederen of de diensten moeten betalen. De rangschikking van de onderwerpen in de Zesde richtlijn wijst ook in deze richting.
Ook de Wet OB 1968 hanteert de alfabetische volgorde: “wat” komt vóór “wie”. Toch heeft de Wet OB 1968 op een aantal onderdelen onmiskenbaar een subjectieve inslag. De invloed van het “wie” op het “wat” blijkt het duidelijkst uit de vrijstelling voor medische handelingen. Beoefenaren van (para)medische beroepen kunnen stellen dat zij door een recente ontwikkeling in de Europese rechtspraak bij bepaalde handelingen de keuze hebben tussen vrijstelling en belastingheffing.
HvJ EG 12 januari 2006, nrs. C-354/03, C-355/03 en C-484/03 (Optigen Ltd, Fulcrum Electronics Ltd, Bond House Systems Ltd), V-N 2006/7.20, r.o. 47
2. BTW is een consumptiebelasting
2.1 H.W.M. van Kesteren, Fiscale Rechtswil (diss.), Gouda Quint, Arnhem, 1994, blz. 70
De Nederlandse omzetbelastingwetgever heeft echter conform het EU-systeem het doel particuliere consumptie te belasten, gerealiseerd door het invoeren van een omzetbelasting in de vorm van een BTW-heffing. Door deze keuze verdwijnt het beoogde subject “de particuliere consument” uit het zicht, terwijl het belastingplichtige subject “de ondernemer” in het systeem op de voorgrond treedt. Vervolgens is het object dat de wetgever beoogt te belasten “de particuliere consumptie” in het systeem naar achteren getreden ten gunste van het door het systeem naar voren geschoven belastingobject “leveringen en diensten van ondernemers”.
2.2 COM2003/614, p. 13
VAT is fundamentally conceived as a general consumption tax, with revenue going to the Member State where actual consumption takes place.
3. BTW is een bestedingsbelasting
3.1 H.W.M. van Kesteren, Fiscale rechtswil ,Pag. 72
Mijns inziens is de omzetbelasting naar haar strekking echter beter nog als een consumptie-belasting aan te merken. De term bestedingsbelasting in ruime en enge zin te verstaan is bovendien op zijn minst verwarrend.
4. BTW is een verbruiksbelasting
4.1 Artikel 2 Eerste richtlijn betreffende de harmonisatie van wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting (67/227/EEG) van 11 april 1967, PbEG 1967
Het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde berust op het beginsel dat van goederen en diensten een algemene verbruiksbelasting wordt geheven welke strikt evenredig is aan de prijs van goederen en diensten, zulks ongeacht het aantal transacties welke tijdens het produktie - en distributieproces vóór de fase van heffing plaatsvonden.
Bij elke transactie is de belasting over de toegevoegde waarde , berekend over de prijs van het goed of van de dienst volgens het tarief dat voor dat goed of voor die dienst geldt , verschuldigd onder aftrek van het bedrag van de belasting over de toegevoegde waarde waarmede de onderscheidene elementen van de prijs rechtstreeks zijn belast. (…)
4.2 HvJ EG 1 april 1982, nr. 89/81 (Hong Kong), BNB 1982/311, r.o. 7
7. Om dit doel te verwezenlijken bepaalt artikel 2, eerste alinea, van de eerste richtlijn dat het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde berust op het beginsel dat van goederen en diensten een algemene verbruiksbelasting wordt geheven welke strikt evenredig is aan de prijs van goederen en diensten, zulks ongeacht het aantal transacties welke tijdens het produktie- en distributieproces voor de fase van heffing plaatsvonden.
4.3 HvJ EG 18 december 1997, nr. C-384/95 (Landboden-Agrardienste) r.o. 20-22
20. Anders dan zij stellen, sluit deze redenering immers niet uit, dat een betaling die de overheid in het algemeen belang verricht, de tegenprestatie kan zijn van een dienst in de zin van de Zesde richtlijn, en houdt deze redenering evenmin in, dat het begrip dienst afhangt van de bestemming die aan de dienst wordt gegeven door degene die ervoor betaalt. Enkel de aard van de aangegane verbintenis dient te worden beschouwd: een verbintenis valt slechts onder het gemeenschappelijk BTW-stelsel indien er sprake is van verbruik.
21. Om te bepalen of een dienst binnen de werkingssfeer van de Zesde richtlijn valt, moet derhalve de transactie aan de doelstellingen en kenmerken van het gemeenschappelijk BTW-stelsel worden getoetst.
22. Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat artikel 2 van de Eerste richtlijn (67/227/EEG) van de Raad van 11 april 1967 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting (PB 1967, 71, blz. 1301) bepaalt:
“Het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde berust op het beginsel dat van goederen en diensten een algemene verbruiksbelasting wordt geheven welke strikt evenredig is aan de prijs van goederen en diensten, zulks ongeacht het aantal transacties welke tijdens het produktie- en distributieproces vóór de fase van heffing plaatsvonden.
Bij elke transactie is de belasting over de toegevoegde waarde, berekend over de prijs van het goed of van de dienst volgens het tarief dat voor dat goed of voor die dienst geldt, verschuldigd onder aftrek van het bedrag van de belasting over de toegevoegde waarde waarmede de onderscheidene elementen van de prijs rechtstreeks zijn belast. (…)”
4.4 COM2005/334, p. 2
Om te garanderen dat de regels inzake de plaats van levering van diensten - en derhalve de plaats van belastingheffing - hun doel bereiken, namelijk dat de belasting toekomt aan het land van verbruik, heft de Commissie een wijziging van de regels inzake de plaats van levering van diensten aan belastingplichtigen voorgesteld die inhoud dat zulke diensten in de regel worden belasting in de lidstaat waar de klant is gevestigd terwijl tegelijkertijd ook de verleggingsregel wordt uitgebreid.
4.5 HvJ EG Banca Populare di Cremona, r.o. 31
“zoals een verbruiksbelasting als de BTW”
5. BTW is een objectieve belasting
Noot van Hilten onder HR 27 januari 1993, nr. 28.285, FED1993/02, Van Kesteren, Fiscale Rechtswil, H.J. Hofstra, Inleiding tot het Nederlandse belastingrecht (Deventer 1986, blz. 33)
HvJ EG Fulcrum / Bond House: r.o. 44, 45, 46
6. BTW is een algemene belasting
6.1 Preambule eerste richtlijn
Overwegende dat een stelsel van belasting over de toegevoegde waarde de grootste mate van eenvoud en neutraliteit verkrijgt wanneer de belasting zo algemeen mogelijk wordt geheven en het toepassingsgebied ervan alle fasen van produktie en distributie, zomede het gebied van diensten omvat ; dat het derhalve in het belang van de gemeenschappelijke markt en van de Lid-Staten is een gemeenschappelijk stelsel te aanvaarden dat eveneens op de kleinhandelsfase wordt toegepast;
6.2 Artikel 2 eerste richtlijn
Het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde berust op het beginsel dat van goederen en diensten een algemene verbruiksbelasting wordt geheven welke strikt evenredig is aan de prijs van goederen en diensten, zulks ongeacht het aantal transacties welke tijdens het produktie - en distributieproces vóór de fase van heffing plaatsvonden.
Bij elke transactie is de belasting over de toegevoegde waarde , berekend over de prijs van het goed of van de dienst volgens het tarief dat voor dat goed of voor die dienst geldt , verschuldigd onder aftrek van het bedrag van de belasting over de toegevoegde waarde waarmede de onderscheidene elementen van de prijs rechtstreeks zijn belast. (…)
7. BTW is een verkeersbelasting
7.1 Van Kesteren / Van Hilten, tiende druk, p.6
7.2 HvJ EG 8 juli 1986, nr. 73/85 (Kerrut), r.o. 22
22. (…) Waar het gemeenschapsrecht in zijn huidige stand geen specifieke bepaling kent waardoor de bevoegdheid van de lid-staten om overdrachts- en verkeersbelastingen niet zijnde omzetbelastingen in te voeren, wordt uitgesloten of beperkt, en het bestaan van concurrerende belastingregelingen bijgevolg toestaat, kunnen dergelijke belastingen ook worden geheven wanneer dit, zoals in casu, leidt tot cumulatie met de over dezelfde handeling geheven belasting over de toegevoegde waarde.
23. Mitsdien moet op de tweede vraag worden geantwoord, dat geen enkele bepaling van gemeenschapsrecht zich ertegen verzet, dat een lid-staat over een krachtens de Zesde richtlijn aan de belasting over de toegevoegde waarde onderworpen handeling eveneens andere overdrachts- en verkeersbelastingen heft - zoals de duitse 'grunderwerbsteuer '- , mits deze belastingen niet het karakter van een omzetbelasting hebben.
7.3 W.F. Nederstigt, De economische beoordeling van omzetbelasting (Deventer 1964)
7.4 H.J. Tehler, Die Umsatzsteuer als angewandte Verkehr- und/oder Verbrauchsteuer, Köln, 1986
8. BTW is een productiebelasting
8.1 Van Kesteren / Van Hilten, tiende druk, p.7-8
Hiervan is geen bewijs te vinden. Onjuist volgens Van Kesteren / Van Hilten, tiende druk, p.7-8
9. BTW is algemene verbruiksbelasting op consumptieve bestedingen
9.1 H.W.M. van Kesteren en M.E. van Hilten Over herzieningen op voorzieningen in de omzetbelasting, WFR 1990/633
2.1 Verbruik en besteding De herzieningsregeling kan niet los worden gezien van het karakter van de omzetbelasting: een verbruiksbelasting welke is gegoten in de vorm van een bestedingsbelasting. (L.F. Ploeger, Het verbruik in de omzetbelasting (I), Weekblad 1972/5109, blz. 969-976, op blz. 972.) In de memorie van antwoord bij het ontwerp van de Wet OB 1968 (Zitting TK 1967-1968, 9324 nr. 6, blz. 15.) wordt dit aldus geformuleerd: 'Het karakter van deze belasting als algemene verbruiksbelasting houdt in, dat in beginsel alle consumptieve bestedingen worden belast'. Hieruit kan worden opgemaakt dat het verbruik geacht wordt op het moment van besteding te hebben plaatsgevonden.
Dit uitgangspunt kan leiden tot cumulatie van belasting, omdat besteding ten aanzien van eenzelfde goed meermalen kan geschieden zonder dat van feitelijk verbruik sprake behoeft te zijn. Om dit te voorkomen heeft de wetgever op een aantal punten in de Wet OB 1968 een verzachting aangebracht. Voor onroerend goed heeft de verzachting gestalte gekregen in de onroerend-goedregeling ex art. 11, eerste lid, letter a, Wet OB 1968. (Art. 13B, letter g, Zesde EG-richtlijn bepaalt dat de levering van onroerend goed is vrijgesteld. Art. 4, derde lid, Zesde EG-richtlijn biedt de Lid-Staten de mogelijkheid ieder die bepaalde incidentele handelingen verricht met betrekking tot onroerend goed aan te merken als belastingplichtige. Tevens geeft het artikellid aan wanneer de levering van onroerend goed wel in de heffing kan worden betrokken. De nationale wetgever heeft bij het redigeren van de onroerend-goedregeling geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om incidentele handelingen in de heffing te betrekken, doch heeft de regels aangaande de uitzonderingen op de vrijstelling wel gebaseerd op dit artikellid.) Deze regeling houdt kortweg in dat alleen de levering van nieuw onroerend goed in de heffing wordt betrokken. Leveringen van onroerend goed dat langer dan twee jaar geleden in gebruik is genomen, zijn in beginsel van omzetbelasting vrijgesteld.
10. BTW grijpt in beginsel aan bij civielrechtelijke rechtshandelingen
Zie verkeersbelasting
2. Regelgeving
Explanatory memorandum
Proposal for a second Council directive for the harmonization among Member States of turnover tax legislation, concerning the form and the methods of application of the common system of taxation on value added (submitted by the Commission to the Council on 14 April 1965)
To make clear the nature of this tax, the Commission already defined the concept of TVA in Article 2 of the proposal for the Directive. From this definition it will be seen that, for technical reasons, the tax is levied at all economic stages within its scope by means of fractinal payments, so that it falls at every stag on the value added at the same stage, according to the “tax-on-tax” deductin method. TVA, therefore, is to be passed on so that the charge falls ultimately upon the consumer, who is the sole person at whom this kind of taxation is directed. This deliberate and intended shift is facilitated by the fact that the tax can be calculated precisely and readily at each stage of production and distribution. Proposal for a second Council directive for the harmonization among Member States of turnover tax legislation, concerning the form and the methods of application of the common system of taxation on value added (submitted by the Commission to the Council on 14 April 1965) Explanatory memorandum
Since, TVA is a consumption tax and is, therefore, chargeable only withing the country, Article 1, paragraph 3, defines the territorial scope of TVA. This provision is relevant also to the application of the tax to imports (see Article 5) and to tax exemptions for exports (see Article 8, paragraphs 1 and 2). It follows that each Member State should so determine the area over which its own TVA is applied that this area coincides with the whole of the national territory. While this is the general rule, the excape clause provided for in Annex A, point 1, has the purpose of enabling Member States to maintain, subject to prior consultation, certain traditional arrangements, like those concerning free ports, bonded warehouses, certain parts of the coungry enjoying a privileged position by virtue of regeional policies, etc.
3. Jurisprudentie
4. Literatuur
- L.F. Ploeger, Het verbruik in de omzetbelasting (I), WFR 1972/969
- L.F. Ploeger, Het verbruik in de omzetbelasting (II), WFR 1972/989
