maatstaf:maatstaf_combinaties_van_prestaties

Maatstaf Combinaties van prestaties

1. Aantekeningen


2. Regelgeving


3. Jurisprudentie

NTFR2007-359 Vergoeding moet worden bepaald op basis van geactualiseerde kostprijs

Hoge Raad 23 februari 2007 42.387

Brondocumenten Beroepschrift in cassatie HR nr. 42.387 (443.7 KB) HR 23 februari 2007, nr. 42.387 (15.26 KB) Hof Arnhem 25 mei 2005, nr. 02/04223 (57.49 KB) Hof Arnhem 25 mei 2005, nr. 02/04224 (54.41 KB)

Samenvatting Belanghebbende houdt zich bezig met het stallen van paarden. In de vergoeding is begrepen: de huur van een box en de materialenkast, het gebruik van de accommodatie, het schoonhouden van de box en de verstrekking van voer. Er valt geen marktwaarde te bepalen van de verhuur van een box zodat belanghebbende de vergoeding heeft bepaald op basis van de werkelijke kosten. In geschil is of daarbij moet worden uitgegaan van de historische kostprijs dan wel de geactualiseerde kostprijs. Volgens de Hoge Raad kan de historische kostprijs als uitgangspunt worden genomen, behalve in gevallen als het onderhavige waarin de historische kosten van de kale boxverhuur in betekenende mate gebaseerd zijn op het kostenniveau ten tijde van de in een verder verleden liggende stichting van het stalgebouw, terwijl de kosten van de andere diensten – de verzorging van de paarden – zich bevinden op het prijsniveau ten tijde van de dienstverlening. Met betrekking tot de kosten van de kale boxverhuur moet dan worden uitgegaan van de vervangingswaarde van het stalgebouw. Gelet hierop is het beroep van belanghebbende gegrond.

Feiten 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende houdt zich bezig met het tegen vergoeding stallen van paarden van derden. In de voor het onderhavige tijdvak overeengekomen stallingsvoorwaarden is bepaald dat in de vergoeding is begrepen: de huur van een vaste box, alsmede de huur van de materialenkast, het medegebruik van de overige accommodatie (inclusief het gebruik van de rijhal en buitenrijbaan gedurende één uur per dag), het schoonhouden van de box en de verstrekking van voer. In het onderhavige tijdvak bedroeg de vergoeding f 500 per maand.

Geschil In geschil is of daarbij moet worden uitgegaan van de historische kostprijs dan wel de geactualiseerde kostprijs.

Rechtsoverwegingen 3.2.1. Het Hof heeft geoordeeld dat de verhuur van de box als een afzonderlijke, van de overige dienstverlening te onderscheiden prestatie moet worden aangemerkt. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat het medegebruik van de rijhal en het schoonhouden van de box niet kunnen worden beschouwd als bijkomende diensten bij de van omzetbelasting vrijgestelde verhuur van de box. 3.2.2. Voorzover de middelen de hiervoor in 3.2.1 weergegeven oordelen bestrijden, kunnen zij niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 3.3.1. De middelen richten zich voor het overige tegen het oordeel van het Hof met betrekking tot de wijze waarop de in één bedrag uitgedrukte vergoeding moet worden gesplitst en toegerekend aan enerzijds de vrijgestelde verhuur van de box en anderzijds de overige dienstverlening. In dit kader heeft het Hof geoordeeld dat belanghebbende in beginsel vanwege het voordeel van de eenvoud gerechtigd is om de waarde van de prestatie van de boxverhuur te bepalen op basis van de marktwaarde van soortgelijke prestaties. Het Hof heeft overwogen dat de door belanghebbende gebruikte methode, te weten het bepalen van de waarde van de onderscheiden diensten aan de hand van de actuele waarde van haar investeringen met een eventuele winstopslag (methode van de geactualiseerde waarde), niet gelijkgesteld kan worden met de marktwaardemethode. Omdat belanghebbende geen gegevens heeft verstrekt, zoals vergoedingen die andere ondernemers in rekening brengen voor de verhuur van een paardenbox, heeft het Hof geoordeeld dat de marktwaarde in het onderhavige geval niet kan worden toegepast. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat, voorzover een prestatie wordt gewaardeerd op basis van de werkelijke kosten met een eventuele winstopslag, uitgegaan moet worden van de oorspronkelijk door een belanghebbende werkelijk geïnvesteerde bedragen met een eventuele winstopslag (methode van de historische kostprijs). Het Hof heeft belanghebbendes methode verworpen, reeds omdat daarbij niet wordt uitgegaan van de werkelijke kosten, maar van kosten zoals die gemaakt zouden moeten worden als de betreffende kosten in het onderhavige tijdvak zouden zijn gemaakt. 3.3.2. Naar het Hof van Justitie heeft geoordeeld in zijn arresten van 22 oktober 1998, Madgett en Baldwin, zaak C-308/96 en zaak C-94/97, Jurispr. p. I-6229, en van 25 februari 1999, Card Protection Plan, zaak C-349/96, Jurispr. p. I-00973, dient de belastingplichtige in de situatie dat tegen betaling van één prijs verschillende te onderscheiden diensten worden verleend, bij de toedeling van het totaalbedrag aan de verschillende diensten de eenvoudigste berekenings- of beoordelingsmethode te volgen. Hierbij kan worden gedacht aan een methode gebaseerd op de werkelijke kosten dan wel een methode gebaseerd op de marktwaarde. Uit het na de uitspraak van het Hof gewezen arrest van het Hof van Justitie van 6 oktober 2005, My Travel, zaak C-291/03, Jurispr. p. I-08477, volgt dat van een vrije keus voor de marktwaardemethode dan wel de methode van de werkelijke kosten in beginsel geen sprake is. De belastingplichtige dient bij de splitsing van een vergoeding de marktwaardemethode te hanteren, tenzij hij kan aantonen dat de methode van de werkelijke kosten voor het betrokken heffingstijdvak de werkelijke samenstelling van de als één geheel geleverde prestaties getrouw weergeeft. 3.3.3. In 's Hofs uitspraak ligt besloten dat naar de opvatting van partijen, waarbij het Hof zich heeft aangesloten, geen marktwaarde viel te bepalen van de prestatie bestaande in de verhuur van een box. Terecht is belanghebbende dan ook voor de bepaling van de vergoeding niet uitgegaan van de marktwaardemethode, maar heeft zij de vergoeding bepaald op basis van de methode van de werkelijke kosten. Voor het Hof was in geschil of daarbij moest worden uitgegaan van de historische kostprijs dan wel de geactualiseerde kostprijs. Als uitgangspunt kan de historische kostprijs worden genomen. Dit lijdt evenwel uitzondering in gevallen als het onderhavige waarin de historische kosten van de ene dienst – de kale boxverhuur – in betekenende mate gebaseerd zijn op het kostenniveau ten tijde van de in een verder verleden liggende stichting van het stalgebouw, terwijl de kosten van de andere diensten – de verzorging van de paarden – zich bevinden op het prijsniveau ten tijde van de dienstverlening. Om een evenwichtige vergelijking van de kosten van de kale boxverhuur en die van de overige diensten te bereiken, dient daarom met betrekking tot de kosten van de kale boxverhuur te worden uitgegaan van de vervangingswaarde van het stalgebouw, gecorrigeerd in verband met de technische en economische veroudering van dat gebouw. Bij de kostenberekening dient rekening te worden gehouden met een redelijke beloning ter zake van vermogensbeslag alsmede met een redelijk ondernemersloon. Voorts heeft in beginsel te gelden dat het (mogelijk aanwezige) verschil tussen het totaal van de kosten en de pensionprijs naar evenredigheid toegerekend moet worden aan de afzonderlijke prestaties. Dit is evenwel anders indien aannemelijk is dat de winstmarges op de onderscheiden diensten in de praktijk uiteenlopen. Het Hof heeft met zijn hiervoor in 3.3.1, tweede alinea, vermelde oordelen het voorgaande miskend. 's Hofs uitspraken kunnen daarom niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. (Volgt vernietiging en verwijzing.)

Commentaar (Nieuwenhuizen)

Hof Arnhem onderscheidde in de paardenpensionovereenkomst (in ieder geval) twee afzonderlijke prestaties: 1. de verhuur van een box, en 2. andere activiteiten (de huur van de materialenkast, het schoonhouden van de box, het medegebruik van de overige accommodatie – inclusief het gebruik van de rijhal en buitenrijbaan gedurende één uur per dag – en de verstrekking van voer). Of het oordeel dat hier sprake is van vrijgestelde verhuur van een box juist is, betwijfel ik. Ik verwijs naar mijn commentaar onder HR 26 januari 2007, nr. 41.917 (NTFR 2007/185) en mijn verwijzing naar het Temco-arrest van het Europese Hof van Justitie (HvJ EG 18 november 2004, zaak C-284/03, NTFR 2004/1739, met commentaar van Sanders). Na dit arrest is het overduidelijk dat het Europese Hof van Justitie snel aanneemt dat veel ‘exploitatievormen’ van onroerend goed niet aangemerkt kunnen worden als (vrijgestelde) verhuur, simpelweg omdat het gaat om een ‘andere activiteit’. Ik weet dat ik mij hier onder paardenliefhebbers niet geliefd zal maken, maar het gaat hier echt om iets anders. Het is niet de bedoeling dat een paardenliefhebber zijn bed en/of computer uitstalt in de box om de box vervolgens ‘als eigenaar’ te gebruiken met uitsluiting van anderen. Het is wel de bedoeling om een paard in de box te stallen; niets meer, niets minder. Het is dus wat anders dan verhuur van onroerend goed. Het is dus belast. Helaas wordt dit niet ter discussie gesteld in dit arrest. In plaats daarvan wordt er gediscussieerd over hoeveel toegerekend moet worden aan de boxhuur en hoeveel aan de overige prestaties. Het oordeel dat de Hoge Raad daarin geeft begrijp ik wel: je kunt niet met twee maten meten. Een discussie overigens om moedeloos van te worden, omdat partijen daar gemakkelijk onderuit hadden kunnen komen door expliciet de prijzen vast te stellen op basis van een ‘menu’. Objectiveren van de overeengekomen prijzen kan immers niet. Moeten de prestaties gesplitst worden én zijn de prijzen zelf ook gesplitst (!), dan kan moeilijk een andere toedeling plaatsvinden dan is overeengekomen. Ik vrees dat er nog veel te leren is in de btw.


4. Literatuur


maatstaf/maatstaf_combinaties_van_prestaties.txt · Last modified: by avdoesum