Site Tools


rechtslagen:precedentwerking_rechtspraak_hvj

Precedentwerking rechtspraak HvJ

1. Aantekeningen

Concept proefschrift Mathijs:

It is settled case law that a preliminary ruling of the Court is binding on the national court for the purpose of deciding in the main proceedings. 113 This includes both the operative part of the judgment as well as the grounds of the ruling. 114 A failure to comply with a preliminary ruling may result into the initiation of infringement proceedings and may trigger state liability within the meaning of the Köbler judgment. 115

113 CJEU, 14 December 2000, C-446/98, Fazenda Pública, C-446/98, ECLI:EU:C:2000:691, paragraph 49.

114 CJEU, 16 March 1978, C-135/77, Bosch, ECLI:EU:C:1978:75 and Broberg, M.P., Fenger, N., 2021, Brober and Fenger on Preliminary References to the European Court of Justice, Oxford: Oxford University Press USA OSO, 2021, p. 400.


Concept proefschrift Mathijs:

Rulings of the CJEU do not possess stare decisis, which means that the Court is not bound to its earlier case law. 123 However, the principle of legal certainty, legal equality and the presumed objectivity of a judge presuppose that the interpretations are followed in future cases. 124 The Court’s tendency to cite its earlier case law when interpreting EU law clarifies how it attaches significant weights to horizontal legal precedent.125

123 Opinion of Advocate General Kokott, 15 July 2010, C-163/09, Repertoire Culinaire, ECLI:EU:C:2010:434,paragraph 61. 124

See in this context Schaper, M.G.H., 2012, The structure and organisation of EU law in the field of direct taxes (diss), Amsterdam: IBFD, p. 31 pp. 20-23.

125 See concerning this tendency also Cornielje, S.B., 2016, Fusies en overnames in de Europese btw (diss), Deventer: Kluwer, pp. 48-66 and Cornielje, S.B, 2018, De stap-voor-staprechtspraak van het Hof van Justitie, Weekblad Fiscaal Recht 2018/127


Proefschrift Mathijs:

A referring court is therefore not bound to decide in accordance with a preliminary ruling that is based upon an incorrect understanding of the facts or national law.

Broberg, M.P., Fenger, N., 2021, Broberg and Fenger on Preliminary References to the European Court of Justice, Oxford: Oxford University Press USA – OSO, 2021, pp 403-404.


2. Regelgeving


3. Jurisprudentie

  • Humda, r.o. 35
    Bijgevolg kan niet worden geoordeeld dat de btw in casu is geheven „in strijd met het Unierecht” in de zin van het arrest van 19 juli 2012, Littlewoods Retail e.a. (C-591/10, EU:C:2012:478), zodat uit dat arrest geen lering kan worden getrokken met betrekking tot de eventuele rente die de belastingdienst in een situatie als die in het hoofdgeding moet betalen
  • Dopravní podnik hl. m. Prahy, C‑107/19, EU:C:2021:722
  • Global Ink Trade, C-537/22, r.o. 25 en 26
    23 Volgens vaste rechtspraak van het Hof houdt het beginsel van voorrang van het Unierecht in dat dit recht prevaleert boven het recht van de lidstaten. Dit beginsel verplicht dus alle instanties van de lidstaten om volle werking te verlenen aan de verschillende bepalingen van het Unierecht, aangezien het recht van de lidstaten niet kan afdoen aan de werking die op het grondgebied van die staten aan deze verschillende normen is verleend. Daaruit volgt dat de omstandigheid dat een lidstaat zich beroept op bepalingen van nationaal recht, ook al zijn deze van constitutionele aard, krachtens het beginsel van voorrang van het Unierecht niet kan afdoen aan de eenheid en de werking van het Unierecht [zie in die zin arresten van 5 juni 2023, Commissie/Polen (Onafhankelijkheid en privéleven van rechters), C‑204/21, EU:C:2023:442, punt 77, en 24 juli 2023, Lin, C‑107/23 PPU, EU:C:2023:606, punt 128 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
    24 In die context zij opgemerkt dat de nationale rechter die de hem door artikel 267 VWEU geboden mogelijkheid heeft benut, voor de beslechting van het hoofdgeding gebonden is aan de door het Hof gegeven uitlegging van het Unierecht en dus in voorkomend geval het oordeel van een hogere nationale rechter naast zich neer moet leggen indien hij, gelet op de door het Hof gegeven uitlegging, van mening is dat dit oordeel niet in overeenstemming is met het Unierecht, en daartoe indien nodig de nationale regel die hem verplicht om zich aan de beslissingen van die hogere rechter te houden, buiten toepassing moet laten (zie in die zin arrest van 24 juli 2023, Lin, C‑107/23 PPU, EU:C:2023:606, punten 132 en 133 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
    25 Het vereiste om de volle werking van het Unierecht te waarborgen impliceert dan ook dat die nationale rechter verplicht is om in voorkomend geval vaste rechtspraak te wijzigen wanneer deze berust op een met het Unierecht onverenigbare uitlegging van het nationale recht (arrest van 9 september 2021, Dopravní podnik hl. m. Prahy, C‑107/19, EU:C:2021:722, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
    26 Bovendien moet de nationale rechter, wanneer een vraag over de uitlegging van het Unierecht reeds duidelijk is beantwoord in de rechtspraak van het Hof, zelf al het nodige doen om ervoor te zorgen dat deze uitlegging wordt toegepast (zie in die zin arrest van 10 maart 2022, Grossmania, C‑177/20, EU:C:2022:175, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak). \\27 In dit verband is het – zoals de Hongaarse regering en de Commissie hebben opgemerkt – van weinig belang dat de door het Hof gegeven uitlegging de vorm aanneemt van een arrest dan wel van een met redenen omklede beschikking krachtens artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering. Geen enkele bepaling van de Verdragen, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie of van dat Reglement voor de procesvoering maakt in het kader van de prejudiciële procedure immers een onderscheid, wat hun draagwijdte en gevolgen betreft, tussen arresten en met redenen omklede beschikkingen. Een nationale rechter kan een beschikking dus niet buiten beschouwing laten op de grond dat deze – anders dan een arrest – geen nieuwe elementen voor de uitlegging van het Unierecht zou bevatten.
    28 In casu is de verwijzende rechter voor de beslechting van het hoofdgeding dus gebonden aan de door het Hof gegeven uitlegging van het Unierecht en zal hij in voorkomend geval de beoordeling van de Kúria in eerdere beslissingen – welke in het nationaal recht als bindend precedent gelden – naast zich neer moeten leggen indien hij, gelet op die uitlegging, van oordeel is dat deze beoordeling niet in overeenstemming is met het Unierecht.

4. Literatuur


rechtslagen/precedentwerking_rechtspraak_hvj.txt · Last modified: by avdoesum