Site Tools


tarief:tariefswijzigingg

Tariefswijziging

1. Aantekeningen

1.1 Discussie 2022

Mail Werner Gelderblom, d.d. 21 september 2022

Omdat ik weet dat jij dit leuk vindt, nog wat achtergrondinformatie over materiële en formele verschuldigdheid (met dank aan Barts speurwerk in 2018). In de bijlage vind je

1) stukken uit de parlementaire geschiedenis van implementatie van de tweede richtlijn. Grapperhaus stelde destijds onomwonden dat tarief afhangt van moment materiële verschuldigdheid (= belastbaar feit), en niet van formele verschuldigdheid (= artikel 13, moment opeisbaarheid door BD)

Parlementaire geschiedenis

2) stukje uit de parlementaire geschiedenis van tariefwijziging 6% > 9%, waarin standpunt wordt ingenomen (na implementatie zesde richtlijn en btw-richtlijn, en dus met artikel 93 Btw-richtlijn in werking (en richtlijnconforme uitleg van artikel 1 en 13 Wet OB?) dat moment formele verschuldigdheid (i.e. afhankelijk van aard prestatie en status afnemer moment vooruitbetaling, facturatie, uiterlijke facturatie, of belastbaar feit) toepasselijke tarief bepaalt.

6 naar 9

3) stukje uit parlementaire geschiedenis verlaagd tarief e-pubs waaruit blijkt dat de doctrine onder 2 niet alleen geldt bij aanpassing tarief, maar ook bij 'transport' van prestatie van ene tarief naar andere tarief.
e-pubs

Het standpunt van MinFin voor zonnepanelen lijkt me daarmee in ieder geval duidelijk (zoals p. 125 van de MvT ook impliceert), maar er is uiteraard ruimte om te procederen voor de liefhebber :-


1.2 Discussie 2024

Beste collega's,

We hebben sinds gisteren een aardige discussie over de vraag of vervoerbewijzen, toegangskaartjes voor bioscopen en musea, postzegels en dergelijke als Single Purpose Vouchers zijn aan te merken. Als dat het geval is, dan is het moment van afgifte ('overdracht') ervan bepalend voor het toepasselijke btw-tarief (zie art. 28zh Wet OB). De overgangsregeling waarin het gisteren gepubliceerde wetsvoorstel voorziet, doet daar dan niets aan af, temeer omdat die regeling slechts bepaalt dat de btw wordt “berekend naar het tarief dat geldt op

het tijdstip waarop de levering of de dienst wordt verricht”. Dat is bij een SPV bij wetsfictie het moment van afgifte / overdracht ervan (zie art. 28zh Wet OB). Als vervoerbewijzen, toegangskaartjes voor bioscopen en musea, postzegels en dergelijke géén SPV zijn, dan heeft de overgangsregeling er mijns inziens wel vat op: dan moet de btw worden berekenend naar het tijdstip waarop de prestatie wordt verricht (de film wordt gekeken, het museum wordt bezocht, etc.).

De wetshistorie is niet duidelijk op dit punt. Ik vermoed dat de bron van alle kwaad ligt in de preambule van de voucherrichtlijn. In de preambule van de voucherrichtlijn staat:

“(5) De bepalingen betreffende vouchers mogen niet leiden tot wijzigingen in de btw-behandeling van vervoerbewijzen, toegangskaartjes voor bioscopen en musea, postzegels en dergelijke.”

Ik zie twee mogelijke interpretaties

1. Dit kun je zo opvatten dat als een lidstaat al voor de voucherrichtlijn de afgifte van vervoerbewijzen, toegangskaartjes etc. aan de heffing onderwierp op het moment van afgifte ervan (omdat ze bijvoorbeeld als vooruitbetalingen werden beschouwd), dan mag dat door de implementatie van de voucherrichtlijn niet veranderen. In Nederland beschouwden we dergelijke bewijzen inderdaad als vooruitbetalingen en dus wijzigde er in Nederland niets (de afgifte van een SPV is immers ook belastbaar op het moment van afgifte ervan. Dit lijkt de interpretatie te zijn geweest van de wetgever: Kamerstukken II, 2016/17, nr. 34755, nr.3 hoofdstuk I.3, V-N 2017/39.18:

“De bepalingen van de voucherrichtlijn mogen ingevolge de vijfde overweging daarvan niet leiden tot wijzigingen in de btw-behandeling van onder meer toegangskaartjes voor bioscopen en musea, vervoerbewijzen en dergelijke. In Nederland worden toegangskaartjes, vervoerbewijzen en dergelijke onder de bestaande regelgeving gezien als een (vooruit)betaling van diensten ter zake waarvan de btw verschuldigd wordt op het tijdstip van aankoop daarvan. Dat zal onder de nieuwe regels van de voucherrichtlijn niet anders zijn, omdat toegangskaartjes, vervoerbewijzen en dergelijke vallen onder de definitie van vouchers voor enkelvoudig gebruik en als zodanig in de heffing worden betrokken op het tijdstip van de aankoop daarvan. Bij elke eventuele doorverkoop van deze vouchers is net als onder de bestaande regels over die transactie btw verschuldigd.”

2. Een andere lezing zou kunnen zijn - en volgens mij hebben wij dat destijds allen zo opgevat - dat vervoerbewijzen, toegangskaartjes voor bioscopen en musea, postzegels en dergelijke zijn uitgezonderd van de werking van de voucherrichtlijn: de bepalingen van de voucherrichtlijn mochten immers niet leiden tot wijzingen in de btw-behandeling ervan.

Wat mij betreft is het geen uitgemaakte zaak. Maar toch zou ik op basis van de MvT uit 2016/17 zeggen: het uitgangspunt is dat het géén SPV's zijn (tweede interpretatie). Op basis van de wetsgeschiedenis kan echter wel verdedigd worden dat het SPV's zijn. De vraag is dan nog of we denken te kunnen adviseren om het eerste standpunt in te nemen en zo ja, of we dat dan ook willen (gaat immers tegen de uitdrukkelijke bedoeling van de overgangsregeling als weergegeven in de MvT bij het huidige wetsvoorstel in).

Het lijkt me goed om hier zo snel mogelijk met elkaar een knoop over door te hakken.

Een andere vraag - die we destijds ook wel hebben opgeworpen, maar niet hebben beantwoord - is of een tariefswijziging die optreedt tussen de uitgifte van de SPV en de inwisseling ervan, ertoe leidt dat de SPV met terugwerkende kracht als een MPV moet worden beschouwd, omdat het btw-bedrag is gewijzigd. Ik vind dat echter te ver gaan, want dan zou nimmer sprake kunnen zijn van een SPV (een tarief kan altijd tussentijds wijzigen).

Hartelijke groet,

Ad

—————–Jochem Kijftenbelt————– Interessant onderwerp. Ik zit wel op de eerste lijn overigens: kaartjes zijn obv de MvT een SPV.

Wellicht ook nog in de discussie betrekken of het een verschil maakt of ik een los kaartje in 2025 koop voor voetbal/concert in 2026 waarbij ik het kaartje ook krijg toegestuurd (en daarmee SPV) of dat ik bijv een seizoenskaart voor een heel seizoen voetbal koop (of extremer een 5-jaarsseizoen kaart koop als die-hard voetbal fan). Is er daarmee geen sprake meer van een voucher maar van een doorlopende (toegangs) dienst?

In Belastingplan 2011 is er destijds voor andere route gekozen: In het Belastingplan 2011 werd het verlaagde tarief voor muziek- en toneeluitvoeringen opgeheven. Er was toen ook sprake van een overgangsregeling, maar die was er juist op gericht om hoge administratieve lasten bij theaters en schouwburgen te voorkomen. Vergoedingen die vóór 1 januari 2011 waren ontvangen werden hoe dan ook belast tegen het verlaagde tarief, dus ook als de prestatie pas ná 1 januari 2011 werd verricht. Daarmee werd voorkomen dat theaters en schouwburgen over zouden moeten gaan tot ingewikkelde navorderingen bij bezoekers die hun kaartje voor 2011 gekocht hadden, maar pas in 2011 naar een voorstelling gingen.

Mij staat bij dat er in het verleden ook wijzigingen zijn geweest die wel hebben geleid tot een aanvullende heffing op moment prestatie, of is was dat de discussie in 2010/2011 die toen is opgelost met de overgangsregeling zoals hiervoor beschreven.

Als je de 2e interpretatie volgt dan krijg je juist alle adm lasten van bijheffingen op moment verrichten prestatie en dat lijkt me niet de bedoeling.


Terechte punten Jochem. Je kunt bijna niet om die MvT heen. Het gekke is echter dat in de MvT bij het BP2025 een voorbeeld zit van een theaterkaartje waarbij dat juist niet als een SPV wordt aangemerkt. @Joel: ik kan er nu even niet bij, maar kun jij het betreffende stukje erbij pakken? We hebben volgens mij dus ook nog eens te maken met tegenstrijdigheden in de MvT’s. Waar vaar je dan op?


Ja die heb ik ook gezien Ad.

Mijn beeld erbij is dat er eigenlijk niet over is nagedacht nu. Vooral ook omdat je niets leest over hoe eea dan praktisch uitwerkt: ik betaal in 2025 eur 40 voor een kaartje en daar moet theater dan laag tarief uit voldoen (vooruitbetaling in de redenering van de overgangsregeling) en als ik dan in 2026 in de zaal zit komt er een 2e heffing omdat dan de dienst wordt verricht. Wie gaat dat dan betalen en hoe gaat dat praktisch. Dus daarmee m.i. een voorbeeld dat ze heel kort door de bocht gaan en niet goed hebben nagedacht en denk ook die eerdere MvT niet scherp hebben (in mijn herinnering was het nl ook gedachtevorming 2 ipv 1 maar na opnieuw lezen kom ik in 1).

Je leest op LinkedIn (oa Jeroen Bijl) ook de tekst dat ‘als je wel vooruitbetaald maar nog geen kaartje krijgt’ er wel sprake is van een vooruitbetaling en dan zou de tekst wel kloppen.

————Joel de Vries———– Dank, ik kan me erin vinden dat we o.b.v. de NL wetsgeschiedenis het standpunt kunnen innemen dat toegangsbewijzen SPVs zijn en buiten het bereik van de overgangsregeling vallen. Maar wat mij betreft wel met de nodige voorzichtigheid, heb er moeite mee.

De definitie van ‘voucher’ vereist dat het instrument als tegenprestatie moet worden aanvaard. Naar mijn idee is een toegangskaartje geen voucher die je koopt die vervolgens (opnieuw) als tegenprestatie wordt aanvaard, maar slechts een controle/bewijs van het feit dat je (die tegenprestatie) al hebt betaald – zonder commercieel doel. Eigenlijk dus niet anders dan een ophaalbevestiging voor een bestelling of een boekingsbevestiging in de horeca. Volgens mij gesteund door de conclusie van A-G Cápeta in de DSAB-zaak, die preambule 5 vooral leest in het licht van tarief/vrijstelling-kwesties en het lijkt te hebben over een voucher waarmee je een toegangsbewijs koopt (ofwel: het kaartje zelf is niet de voucher):

59. Ik vind het ook noodzakelijk om de invloed van overweging 5 van de richtlijn van 2016 op de aanvaarding van stadspassen als vouchers te onderzoeken, aangezien dit punt aan de orde is gesteld bij de verwijzende rechter en in verschillende bij het Hof ingediende opmerkingen. In die overweging staat dat „[d]e bepalingen betreffende vouchers […] niet [mogen] leiden tot wijzigingen in de btw-behandeling van vervoerbewijzen, toegangskaartjes voor bioscopen en musea, postzegels en dergelijke”. 60. Deze overweging heeft mijns inziens tot doel duidelijk te maken dat de mogelijkheid om kaartjes, postzegels of dergelijke te verkrijgen door middel van een voucher geen afbreuk mag doen aan het btw-tarief dat van toepassing is op die kaartjes en dergelijke, waarvan sommige zijn vrijgesteld van btw en andere in aanmerking komen voor verlaagde tarieven. Vouchers bieden slechts een mogelijkheid om een kaartje te verkrijgen en scheppen een verplichting voor de aanbieder van dat kaartje om vouchers als tegenprestatie te aanvaarden. Zij wijzigen geenszins de btw-regeling die op deze kaartjes van toepassing is. Als een kaartje is vrijgesteld van btw, zal er geen btw worden geheven, ongeacht of de aanbieder geld, een ander betaalmiddel of een voucher als tegenprestatie heeft aanvaard. 61. Mijns inziens kan een instrument dat voldoet aan de twee voorwaarden van de btw-richtlijn slechts in één geval niet als een voucher worden aangemerkt, namelijk wanneer het zich verzet tegen de bijzondere btw-behandeling van een dienst waarvoor het als tegenprestatie moet worden aanvaard. Zoals ik zal aantonen in het laatste gedeelte van mijn conclusie, zal de behandeling van een stadspas als voucher niet leiden tot wijzigingen van de specifieke btw-behandeling van diensten die in een dergelijke voucher inbegrepen zijn en die voor een andere btw-behandeling in aanmerking komen, indien een stadspas, zoals een voucher voor meervoudig gebruik, volgens de „winstmargeoptie” wordt belast.

In het Voucherbesluit staat hier niks over, maar wel een soortgelijke redenering over abonnementen (en ik vermoed daarmee ook seizoenskaarten @Jochem): “Een abonnement, zoals een telefoonabonnement of sportabonnement, is geen voucher. Een abonnement is een overeenkomst tussen twee partijen waarbij de ene partij zich verplicht om over een bepaalde periode goederen te leveren of diensten te verrichten. De andere partij is verplicht om een (periodieke) betaling te verrichten. De (periodieke) betalingen zijn de tegenprestatie voor de goederenleveringen of de diensten. Een abonnementsbewijs, zoals een pasje om de sportschool binnen te komen, is een identificatiemiddel voor de abonnementhouder. Het abonnementsbewijs wordt niet als tegenprestatie voor de goederenleveringen of de diensten gebruikt of ingewisseld. Daarom is bij een abonnement geen sprake van een voucher.”

@Ad van Doesum (NL dit is het voorbeeld dat jij bedoelt uit het BP2025.


2. Regelgeving

3. Jurisprudentie


4. Literatuur

tarief/tariefswijzigingg.txt · Last modified: by avdoesum