Table of Contents
Verhuur onroerend goed
1. Aantekeningen
1.1 Verhuur van gedeelte woning
- Hof Den Bosch, 15 oktober 2025, nr. 23/369, ecli:NL:GHSHE:2025:2476
4.7. De verhuur van onroerende zaken is in beginsel van OB vrijgesteld.6 Onder voorwaarden kan worden geopteerd voor belaste verhuur.7 Een van die voorwaarden is dat hetgeen verhuurd wordt niet als woning wordt gebruikt.8 Daarbij staat elke mate van gebruik als woning aan belaste verhuur in de weg. Van doorslaggevend belang is dus of het gehuurde uitsluitend zakelijk wordt gebruikt. Alleen in dat geval is belaste verhuur en aftrek van voorbelasting mogelijk. Belanghebbende dient het benodigde bewijs te leveren.
2. Regelgeving
3. Jurisprudentie
3.1 Short Stay
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 25 juni 2024, nrs. BRE 23/3722, BRE 23/3756 en BRE 23/3757, ECLI:NL:RBZWB:2024:4370
4.1. Het Hof van Justitie heeft het nagenoeg gelijkluidende artikel 13 B, onder b, van de Zesde richtlijn4 onder meer uitgelegd in het arrest Blasi.5 In dat arrest heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat de lidstaten beschikken over een beoordelingsmarge om onderscheid te maken tussen vrijgestelde verhuur en verstrekkingen van accommodatie in het hotelbedrijf of in sectoren met soortgelijke functies. Ook heeft het Hof van Justitie in het arrest Blasi geoordeeld dat het begrip ‘sectoren met soortgelijke functies’ ruim moet worden uitgelegd, aangezien zij beoogt te verzekeren dat het tijdelijk verstrekken van accommodatie op overeenkomstige wijze als in het hotelbedrijf, dat potentieel daarmee concurreert, aan belasting wordt onderworpen. De voorwaarde van kort verblijf is een passende voorwaarde om te bepalen of de activiteit overeenstemt met de essentiële functie van een hotel, te weten het tijdelijk verstrekken van accommodatie in het kader van een commerciële relatie.6
4.2.
De short-stay-uitzondering moet richtlijnconform worden uitgelegd.7 De Hoge Raad heeft in het arrest van 26 januari 2007 overwogen:
“3.5. Voorzover in het middel wordt betoogd dat in het begrip “het verstrekken van accommodatie” als vermeld in artikel 13, B, letter b, punt 1, van de Zesde richtlijn reeds ligt besloten dat die verstrekking gepaard gaat met het verrichten van diensten zoals schoonmaken, regelen bad- en bedlinnen en ontbijtservice, faalt het omdat deze diensten in ieder geval niet eigen zijn aan het in voormelde bepaling tevens als het verstrekken van accommodatie aangemerkte verschaffen van verhuuraccommodatie in vakantiekampen of op kampeerterreinen. Veeleer dient, naar redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar is, het gemeenschappelijke kenmerk van de in de richtlijnbepaling bedoelde accommodaties hierin te worden gevonden dat het gaat om verblijfsruimten die zijn toegerust voor daarin kort verblijven zonder dat de tijdelijke bewoner is belast met de zorg voor de inventaris. Indien zulke verblijfsruimten ter beschikking worden gesteld anders dan in het kader van het hotelbedrijf, wordt, omdat voorzien wordt in een behoefte aan accommodatie waarop ook hotelbedrijven zich richten, met laatstbedoelde bedrijven in concurrentie getreden, hetgeen blijkens het aangehaalde arrest Blasi bij uitstek het gezichtspunt is voor het vaststellen van de vergelijkbaarheid van een accommodatieverstrekking met die welke plaatsvindt in het hotelbedrijf.”
4.3. In de Wet OB noch enig andere bepaling is een criterium opgenomen om vast te stellen wanneer sprake is van kort verblijf. In beleidsbesluiten8 heeft de staatssecretaris van Financiën hierover een standpunt ingenomen. Dat standpunt komt erop neer dat de aard en de duur van het verblijf bepalend zijn voor de vraag of sprake is van ‘verblijf voor een korte periode’. Als de gasten feitelijk maximaal zes maanden in deze accommodatie verblijven en zij het middelpunt van hun maatschappelijk leven niet daarheen verplaatsen, is volgens de staatssecretaris in ieder geval sprake van een ‘verblijf voor een korte periode’ in een accommodatie binnen het hotel-, pension-, kamp- en vakantiebestedingsbedrijf.
- Valentina Heights, C-733/22
